Geloofsbelijdenissen zijn niet bepaald populair. Op papier zijn veel kerken nog altijd belijdende kerken, en jubilea – zoals vorig jaar dat van Nicea – worden nog gevierd. Maar in de praktijk ligt het anders. Zelfs onder orthodoxe christenen verliezen ze aan gezag en functioneren ze steeds minder als bron van inspiratie en richting.
In zijn boek Crisis of Confidence uit 2024 spreekt de Brits-Amerikaanse theoloog Carl Trueman zelfs van een “crisis van vertrouwen” rond geloofsbelijdenissen; en, nog fundamenteler, rond het geloof dat daarin wordt verwoord.
Ook binnen de kring van de Gereformeerde Bond merken we deze vertrouwenscrisis. Als beweging staan we graag voor de belijdenis: zowel voor de oecumenische belijdenissen van de vroege kerk (de Apostolische Geloofsbelijdenis, de Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel en de Geloofsbelijdenis van Athanasius) als voor die uit de tijd van de Reformatie (de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels). Maar in de praktijk raken ze steeds meer op de achtergrond. In preken en op catechisatie komen ze minder aan bod, en de kennis ervan onder gemeenteleden is vaak beperkt. Sterker nog, bij het geestelijk leidinggeven krijgen kerkenraden hun richting soms eerder van een recente podcast of een aansprekend online artikel dan van de belijdenisgeschriften.
Serieus probleem
Dit gebrek aan vertrouwen is een serieus probleem. Geloofsbelijdenissen behoren tot het goud van de kerkelijke traditie. We doen onszelf tekort als we die schat laten liggen of nauwelijks delven. Juist deze belijdenissen hebben we hard nodig om ons te bewaren bij “het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd” en om daaruit te leven (Jud. 1:3). Tegelijk hoeft het ons niet te verbazen dat geloofsbelijdenissen in onze tijd weinig aantrekkingskracht hebben. Tal van culturele ontwikkelingen staan haaks op het idee dat je je geloof en leven laat vormen door oude, gezaghebbende kerkelijke teksten. In dit artikel schets ik enkele van die ontwikkelingen, uiteraard slechts in grote lijnen. Zo wordt duidelijk hoe complex en veelzijdig het probleem is. Daarbij maak ik dankbaar gebruik van het al genoemde boek Crisis of Confidence van Carl Trueman. In een vervolgartikel zal ik nog ingaan op de betekenis van geloofsbelijdenissen en hoe we die vandaag het best kunnen gebruiken.
Groot ik
Misschien wel het meest kenmerkende van onze westerse cultuur is het individualisme: een levensvisie waarin de mens als individu centraal staat. Die manier van denken kent een lange geschiedenis en verschijnt in verschillende vormen: soms rationeel (“ik moet het kunnen begrijpen”), soms juist gevoelsmatig (“ik voel het zo, dus…”). In onze tijd ligt het accent duidelijk op het laatste. Cultuurfilosofen spreken van “expressief individualisme”: de gedachte dat onze identiteit en betekenis liggen in onze diepste gevoelens en intuïties. Die moeten we ontdekken, volgen en tot expressie brengen. Zo maken we zelf ons leven betekenisvol: ons leven als ons eigen project. Kerkelijke belijdenissen passen slecht in zo’n subjectieve, individualistische tijd. Ze zijn te objectief, te gemeenschappelijk en te normerend, en sluiten nauwelijks aan bij ons gevoel van een uniek, autonoom ik.
"*" geeft vereiste velden aan