Waar bent u naar op zoek?

blog

Protestanten kunnen wel een scheutje katholiek besef gebruiken

Geroepen tot liturgie

23-05-2016

‘Maar U bent heilig, U troont op de lofzangen van Israël.’ Als je op catechisatie vraagt: ‘in wat voor een psalm zou deze regel staan?’, is de kans groot dat iemand zegt: in een lofpsalm.

Het is verrassend om te ontdekken dat deze woorden in een klaagpsalm staan vermeld. Ze staan opgetekend in een van de aangrijpendste klaagpsalmen – we zitten er immers mee aan de voeten van het kruis. We horen onze Heiland de psalmdichter nakermen: ‘Mijn God, Mijn God, waarom verlaat Gij Mij?’
Dat de HEERE woont op de lofzangen van Zijn volk, blijft daarbij helemaal staan. Ónze nood en dood doen daar niet van af. Het loven, eren en belijden van Zijn Naam moet ook op aarde ononderbroken voortgaan.

Inzetting
Zo was dat in tabernakel en tempel ook. De troon van God, tussen de cherubs, stond in het huis waar tempelzangers en speellieden de lofzang gaande hielden. Naar Gods eigen gebod overigens – niet als bedenksel of initiatief van Israël.
De eredienst is een inzetting van Hem – en het behoort tot de gehoorzaamheid van het geloof om deze wekelijks te onderhouden.

Bezinning
Het is dus een goede zaak dat de liturgie onderwerp van gesprek en bezinning is. Dat we doordrongen zijn van wat wij doen als wij ‘in de kerk, bij God’ zijn. Waarbij ik overigens met enige zorg de vinger leg bij de waarneming van onze algemeen secretaris, dat gesprekken over liturgie zich helemaal lijken te beperken tot wat wij in de eredienst zingen.
De eredienst is meer, véél meer dan alleen het zingen. En ook meer dan de optelsom van haar (onder)delen.

Van de kerk
Nu staan wij in een uitnemende, rijke liturgische traditie. Die traditie kunnen wij goed uitleggen; dat hebben we de afgelopen decennia dan ook in diverse publicaties gedaan. Toch bekruipt mij soms het gevoel dat we als hervormd-gereformeerden in fundamentele liturgische bezinning niet sterk zijn.
Ik wil wijzen op een wezenlijk aspect van de liturgie dat ook in onze publicaties en bezinning nagenoeg ontbreekt. Dat is de overtuiging dat de liturgie ‘de liturgie van de kérk’ is. Ik sluit aan bij een opmerking van professor Immink dat ‘de kerkdienst als gezamenlijke handeling van de gemeente onder druk staat’.

Persoonlijk
In de lijn van Reformatie en Nadere Reformatie hechten wij grote waarde aan het persoonlijk, gelovig mééleven en dóórleven van de eredienst. In prediking, gebed, sacrament en psalmgezang ging en gaat het ons erom dat ons hárt geraakt wordt. Dat zo iets van toe-eigening door de Heilige Geest geschiedt. Zo merk je aan het zingen van de gemeente of het hart er in meekomt. De keerzijde van deze persoonlijke betekenis van de liturgie is dat iemand kan zeggen: ik had er vanmorgen niets aan, het raakte me niet. Of dat iemand een psalm niet meezingt, omdat hij de gezongen woorden niet voor zijn rekening kan nemen of niet waar kan maken. ‘En ik ga niet zitten huichelen’.

Individualisme
Als deze piëtistische invalshoek zich echter verzwagert met modern individualisme, wordt het gevaar onontkoombaar dat persoonlijke beleving de maat van de liturgie wordt. Dat we alleen nog maar zingen waar we samen achter kunnen staan. Dat we alleen nog maar doen wat door ons van harte, en gezamenlijk, gedragen wordt. Een liturgie waar we iets aan hebben. Een liturgie die de consensus van de gemeente nodig heeft.
Professor Immink constateert terecht dat juist door die hyperpersoonlijke benadering van de liturgie de verdeeldheid inzake de liturgie alleen maar toeneemt. Discussies over liturgie zullen hierdoor alleen maar verliezers kennen. Met andere woorden: het ik van de kerkganger komt zo centraal te staan, dat het wij

van de gemeente uit ons liturgisch besef verdwijnt.

Roeping
Maar de liturgie is niet van ons – zij is van de kerk, van de gemeente. En ik bedoel met ‘de gemeente’ niet de optelsom van haar leden, maar de gemeente als geestelijk begrip. De gemeente als gave van de Heilige Geest in deze wereld. De gemeente die er is voordat ik er ben, en voordat ik mij bij haar aansluit. De gemeente die qualitate qua geroepen is om in deze wereld de Naam van haar Heere en Koning te belijden. De kerk is geroepen tot de liturgie. Het klokgelui op zondag is meer dan een vrijblijvende uitnodiging om in die liturgie te delen, door haar te dragen en stem te geven.

Belijden
Dat geeft aan de liturgie iets objectiefs, iets wat onafhankelijk is van wat wij vinden en willen. Er gebeuren in de liturgie dingen die niet berusten op consensus, dingen die niet weerspiegelen wat de meerderheid van de gemeente wil of vindt. De geloofsbelijdenis bijvoorbeeld is niet in de eerste plaats onze persoonlijke, collectieve belijdenis – het is de belijdenis van de kerk. Die wij gelovig na- en meespreken. En of we er nu van harte in meekomen of niet: het geloof van de kerk móet beleden worden.

Beleven
Dat geldt ook voor het zingen. Wat op het psalmbord staat, is niet de uitslag van een enquête of een poll onder gemeenteleden naar de meest geliefde en gewenste liederen, het ‘lied van de week’. Zij staan erop, zonder onze inspraak. En zo zingen wij ze. Niet omdat we eraan toe zijn om een loflied te zingen, of juist in de stemming voor een klaaglied zijn – wij zingen ze omdat het de liederen van de kerk zijn waarmee zij haar Heere dient. Wij kunnen en mogen daarom nooit zeggen dat we niets aan de liturgie beleven. In de eerste plaats is de liturgie er niet voor ónze beleving, maar voor Gods eer; in de tweede plaats is het een teken van ongeloof en zelfverafgoding als we niets beleven aan het eren van God.

De gemeenschap
Zouden we als protestanten in dit opzicht niet een scheutje katholiek besef kunnen gebruiken? Het komt mij voor dat de katholieke kerken in deze wereld, zowel de rooms-katholieke als de oosters-orthodoxe kerken veel meer bewaard hebben van het besef dat niet wij de liturgie vormen, maar dat de liturgie óns vormt. De rooms-katholieke theoloog Romano Guardini schrijft: ‘Niet de enkeling is drager van liturgisch handelen en bidden. Ook niet de som van de afzonderlijke wezens. Het ‘ik’ van de liturgie is veeleer het geheel van de gelovige gemeenschap als zodanig, hetgeen meer is dan de som der delen, en dat uitstijgt boven de aritmetische optelling van de individuen, namelijk: de Kerk’

Zelfverloochening
De liturgie is dus een gegeven. Als kerkganger worden wij erin opgenomen, wij sluiten aan, wij nemen deel. Wij eren God met woorden die we niet zelf verzonnen. Wij loven Hem met hoge woorden, al ligt ons eigen hart in de diepten. Wij belijden Zijn Naam, al kraakt en barst het van binnen van twijfel en ongeloof. Wij belijden onze hulp van Hem, ook als we ons zo hulpeloos voelen. Wij geven onze liefdegaven als dankoffer, al menen we weinig reden tot danken en geven te hebben. De dienst van de Heere moet voortgaan. Het hoogste verlangen van een christen is immers ‘Uw Naam worde geheiligd’. Liturgie vraagt dus om zelfverloochening. Dat het hier niet om mij gaat. Maar om God en Zijn gemeente. Daar heeft een christen toch genoeg aan?

Troostvol
Als je er wat langer over nadenkt, is het ook geweldig troostvol. Het is een zegen om in de liturgie verlost te worden van jezelf: van wat je er zelf van moet vinden en wat je er zelf aan moet hebben. Dat jouw stemming mede bepalend is voor het al dan niet slagen van de liturgie.
Zoals de avondmaalstafel gereed staat als ik de kerk binnenkom, zo ligt de liturgie voor mij gereed. Ik mag deelnemen. Deelnemen aan de lof van God, deelnemen aan de eredienst van de kerk. Dat maakt me dankbaar. Én bescheiden.

A.J. Mensink