Waar bent u naar op zoek?

Afblijven of aangaan?

Dr. S.D. Post
Door: Dr. S.D. Post
12-11-2020

In de pastorale praktijk van Petrus Immens (1664-1720) is een omslag in het denken over avondmaalsdeelname binnen het gereformeerde piëtisme goed terug te zien. Hoe ontwikkelde de avondmaalspraktijk in West-Souburg en Middelburg in zijn tijd?

Immens is bekend geworden door zijn verhandelingen over geloof, verbond en avondmaal, De godvruchtige avondmaalganger. De predikant overleed op 18 november 1720, nu 300 jaar geleden.

Wie niet deelnemen

Leuntie Michiels, een jonge vrouw uit het Zeeuwse dorpje West-Souburg, kreeg in de eerste week van 1695 huisbezoek van ds. Immens en een ouderling. Op zondag 9 januari zou het avondmaal worden gehouden en het was de gewoonte om in de week daarvoor alle leden te bezoeken om hen te vermanen aan te gaan aan de tafel des Heeren.

In de acta van de kerkenraad werd nauwkeurig bijgehouden wie niet deelnamen. Sommigen stonden onder censuur. In de jaren van Immens (1692-1695) schommelde dat aantal in West-Souburg tussen de zes en dertien, gemiddeld vijf procent van alle leden. Naast ‘afgehouden’ was er een lijst met ‘afgebleven’. Hierop stonden namen van leden die om andere redenen niet aangingen. Begin 1694 verscheen er in de acta een derde lijst. Daarop stond Leuntie Michiels. Het kopje boven de lijst luidde ‘moedwilligen’.

Tot deze lijst was besloten in de kerkenraadsvergadering van 9 januari 1694. De kerkenraad maakte zich zorgen, omdat de lijst ‘afgebleven’ was gegroeid van zeven naar negentien. Onder hen waren er die afbleven uit aversie tegen de kerkenraad of de prediker. Deze leden, onder wie dus Leuntie Michiels, moesten vermaand worden, omdat ze lichtvaardig omgingen met het heilig avondmaal. Leuntie had in de zomer van 1693 belijdenis gedaan, maar was daarna afgebleven. Rond de jaarwisseling van 1694-1695 kwam deze jonge vrouw tot inkeer. Tijdens het huisbezoek bekende ze dat ze zich ‘in kwaadheid’ zo lang zonder reden had afgehouden, deed ze schuldbelijdenis en vroeg ze om toegelaten te worden. Nadat ze ernstig was berispt en haar zonde haar voor ogen was gesteld, mocht ze – na zelfbeproeving – weer aangaan.

Deze praktijk in West-Souburg laat zien hoe sterk de relatie tussen belijdenis doen en avondmaal was. Wie belijdenis deed en niet aan het avondmaal ging, werd actief vermaand.

Een paar jaar later, in 1698, trad Immens toe tot het twaalfkoppige college van predikanten van de gereformeerde gemeente in Middelburg. Daar werd negen keer per jaar avondmaal gehouden en het aantal avondmaalsgangers was enorm. Uit de rekeningen van de Middelburgse bakker Blaker en wijnhandelaar Van Kouwenburg is op te maken dat in 1672 zo’n tienduizend personen het avondmaalsbrood nuttigden en de wijn dronken. Willem Teellinck, predikant in Middelburg van 1613 tot 1629, schreef eerder dat er in de Middelburgse kerken vele honderden tot meer dan duizend avondmaalsgangers waren. Wat was de visie van deze Willem Teellinck, de vader van de Nadere Reformatie? Voor hem was avondmaalsdeelname niet in de eerste plaats verbonden met belijdenis, maar met de doop. Gedoopten mogen niet ongelovig blijven en behoren deel te nemen aan het avondmaal. Toegang tot het avondmaal vroeg je door belijdenis te doen. Deze opvatting werd kerkelijk breed gedragen en is terug te vinden in vrijwel alle gereformeerde kerkorden uit die tijd. Ambtsdragers en gemeenteleden stimuleerden kerkgangers dan ook om de toegang tot het avondmaal aan te vragen. Teellinck waardeerde dit en prees in de voorrede van zijn Huys-boecxken de gemeenteleden voor het feit dat ze ‘velen tot de gemeenschap met de kerk van Christus brachten’. Hij doelde hierbij vooral op de vele jongeren die aan het avondmaal deelnamen.

Belijdenis doen

In de Middelburgse gereformeerde gemeente was het de gewoonte dat voorafgaand aan de huisbezoeken de namen werden voorgelezen van jongeren die tien à twaalf jaar geleden gedoopt waren. Tijdens de bezoeken zelf kon er dan naar deze jongens en meis‑jes geïnformeerd worden.

Ze konden na catechetisch onderwijs rond hun veertiende belijdenis doen en deelnemen aan het avondmaal. Onderzoek naar de leer werd gewoonlijk gedaan door de wijkpredikant en was niet al te diepgaand. De ambtsdragers deden geen onderzoek naar de vraag of er sprake was van wedergeboorte in deze jonge mensen. Dit wil niet zeggen dat belijdenis afleggen voor Teellinck een puur verstandelijke daad was. Teellinck twijfelde er niet aan dat men een wedergeboren christen moest zijn om deel te nemen aan de tafel des Heeren.

Vervreemding

Nu terug naar Immens. Welke avondmaalspraktijk trof hij aan in het Middelburg op de drempel van de achttiende eeuw? Het is duidelijk dat de avondmaalsvisie aan het kantelen was. Uit de pastorale preken van ambtsbroeder Bernardus Smijtegelt is op te maken dat belijdenis doen gekoppeld werd aan de doop in plaats van aan het avondmaal. Tegelijk betekende belijdenis-doen geen vanzelfsprekende toegang tot het avondmaal. Smijtegelt zei in een catechismuspreek: ‘Wij hebben al dikwijls gezien, dat de mensen meenden, als ze belijdenis gedaan hadden, dat ze dan ten avondmaal moesten gaan; doch belijdenis moet elk doen, maar elk mag niet ten avondmaal gaan.’

Wat was er gebeurd dat de zienswijze over avondmaalsdeelname zo wijzigde? Ten eerste leidde aan het einde van de zeventiende eeuw de massale deelname tot gevoelens van vervreemding bij de vrome gelovigen. Een treffend voorbeeld in Middelburg is dat de ‘fijnen’ niet meer aan een tafel wilden zitten met andere avondmaalsgangers. Ze gaven elkaar een teken om op een bepaald moment op te staan en dan gezamenlijk aan de avondmaalstafel plaats te nemen, zodat het een ‘tafel van godzaligen’ zou zijn. Smijtegelt keurde deze ‘fratsen’ in sterke bewoordingen af. Van de Utrechtse predikant Jodocus van Lodenstein is bekend dat hij na 1673 het avondmaal niet meer kon bedienen vanwege de verontreiniging van de tafel door merkbaar onwedergeborenen.

Minder geloofszekerheid

Een ander aspect moet gezocht worden in de afname van geloofszekerheid. Er is rond de eeuwwisseling sprake van ‘een voortgaande verschuiving van de aandacht rondom de avondmaalsviering, die steeds minder zich op Christus en Zijn heil richt en steeds meer op de christen en zijn staat, die waardig dient te zijn om het avondmaal te kunnen vieren.’ (C. Graafland) Immens moest in Middelburg constateren dat ‘in onze geesteloze dagen er velen in plaats van vrijmoedig toe te naderen, van verre staan, vol kommer, beroering en benauwdheid, het heil dat hun wordt aangeboden niet op zich durven toe te passen, noch de hand te leggen op de beloften.’ Hij vond geloofs‑zekerheid belangrijk voor geestelijke groei: ‘Zo lang men met het fundament bezig is, kan men het gebouw niet verder optrekken. Zo lang men gedurig aan de wortel van een boom gaat zien of hij leeft, belet men de verdere wasdom. Tracht dan ook uit de geloofsvruchten van uw geloof verzekerd te zijn.’

Verbond

Naast de zekerheid die door kenmerkenprediking gevonden kan worden in de vruchten van het geloof (syllogismus mysticus), besteedde Immens veel aandacht aan zekerheid die te vinden is in het verbond en de Verbondsmiddelaar. Een geestelijke oefening was daarbij de plechtige verbondsinwilliging: de gelovige deed een plechtige, schriftelijk belofte om zijn leven uit dankbaarheid te wijden aan God, in een setting van meditatie, vasten en gebed. Kenmerkenprediking als middel voor geloofszekerheid is nog op vele kansels te horen, maar de oefening van de verbondsinwilliging lijkt uit de praktijk van het leven der godzaligheid verdwenen te zijn.

Dr. S.D. Post
Dr. S.D. Post