Waar bent u naar op zoek?

Boekbesprekingen

C.P. Boele
Door: C.P. Boele
22-09-2022

Tomáš Halík Theater voor engelen. Het leven als religieus experiment. KokBoekencentrum Uitgevers, Utrecht; 204 blz.; € 22,50.

De Tsjech Tomáš Halík (1948) is priester en hoogleraar filosofie en sociologie in Praag. Hij was een vertrouweling en raadsman van onder meer voormalig president Havel en paus Johannes Paulus II. Hij publiceerde diverse veelgelezen boeken.

Het onderhavige boek, geschreven in 2010, is de vrucht van een zomers verblijf in een kluizenarij in het Rijnland. Hij liet zich inspireren door de toenmalige paus Benedictus die zijn ‘ongelovige vrienden’ adviseerde het bestaan van God als hypothese aan te nemen, zolang ze het christelijk geloof nog niet volledig konden aanvaarden. Dat advies spreekt Halík aan. Hij verzet zich in zijn boek (mijns inziens terecht) tegen allerlei vormen van harmonieus, zelfverzekerd en goedkoop (christelijk) geloof, dat de echte vragen uit de weg gaat, op rationalistische wijze (wij kunnen met onze christelijke wetenschap God bewijzen of aannemelijk maken, bijvoorbeeld via ‘intelligent design’) of meer evangelicaal (met een glimlach en een lied op de lippen optrekken in de menigte van vromen).

Is het niet veeleer zo, vraagt Halík, dat wij, gelovigen, veel gemeen hebben met ‘ongelovigen’? Wie heeft de waarheid volledig in pacht? Wie heeft in deze aardse bedeling het volledige perspectief? Is God geen verborgen God, Die we telkens weer moeten zoeken? De kerk moet volgens Halík een ‘voorhof voor de heidenen’ zijn, een ruimte voor wie het geloof van de kerk nog niet volledig deelt. Kerkmensen moeten naar buiten, naar die voorhof toe en daar mensen ontmoeten die ook geloven, al is het in ‘het oervertrouwen in een zin’. Eén gelovige is nooit volledig een gelovige en een ongelovige is nooit volledig een ongelovige. (p.25) Halík benadrukt dat de fundamentele context van onze christelijke uitspraken over God bijbelse verhalen zijn. Juist in die verhalen kunnen ongelovigen God ontmoeten. Daarvoor moeten we, met hen, ‘het verhaal binnenstappen’. Zo worden we acteur en medeschepper van een uniek ‘theater voor engelen’, in een wederzijdse ontmoeting van pelgrims.

Aan de ene kant komt mij Halíks open houding naar ongelovigen sympathiek voor. Als wijkouderling kom ik hen tegen. En inderdaad blijken er dan, om met Augustinus te spreken, schapen buiten de kudde te zijn. Dat is misschien een ongemakkelijke waarheid voor ons, gereformeerden. Bovendien, vergeten we soms niet dat Jezus zelf, als Persoon, de Waarheid is, en niet onze welomschreven belijdenis?

Aan de andere kant vraag ik me af of hij niet te optimistisch is. Het Sociaal en Cultureel Planbureau becijferde eerder dit jaar dat meer dan de helft van de mensen inmiddels agnost is. Ook al blijft het christelijke ‘verhaal’ een verhaal met een goede boodschap (Evangelie), het kruis blijft uiteindelijk een ergernis of dwaasheid. Er is een gevaar dat we dit verhaal van de scherpe kantjes ontdoen, ter wille van die dialoog. Dat is ook opmerkelijk in het boek van Halík: naast het hartelijke, indringende pleidooi om de ontmoeting met de ongelovige aan te gaan, vraagt hij het hele boek door aandacht voor klassiek-christelijke notities (opstanding, eeuwig leven, het oordeel, het geloof als gave). Toch mag dit boek een pleidooi zijn voor het werkelijk toelaten van zeer reële vragen die in onze tijd op ons afkomen en die we van een antwoord hebben te voorzien. Haliks boek bevat daartoe aanstekelijke, tot grondige gedachtenwisseling aanzettende gespreksstof.

C.P. Boele
C.P. Boele