Waar bent u naar op zoek?

Tussen indoctrinatie en vrijblijvendheid

De school als oefenplaats

Dr. A.J. Kunz
Door: Dr. A.J. Kunz
10-02-2026

Wat betekent een Bijbelse invulling van vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit voor burgerschapsvorming op school? In dit laatste artikel van het drieluik over waarden en burgerschap richten we ons op de praktijk. We doen dat vanuit het gezichtspunt van de school als oefenplaats.

Na de verkenning en de Bijbelse invulling van de basiswaarden voor burgerschap richten we ons nu op de praktijk. Wat betekent een christelijke invulling van vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit voor burgerschapsvorming op school? In het algemeen kunnen we constateren dat de begrippen die de wetgever voorschrijft voor christelijk onderwijs geen kortsluiting geven. Dat is een belangrijke constatering, want de christelijke school draagt niet bij aan de vorming van leerlingen voor een christelijk-alternatieve samenleving. Weliswaar is er een christelijke bubbel – zoals er trouwens ook een grachtengordelbubbel is – maar bij burgerschapsvorming wil je die juist doorbreken. Leerlingen moeten immers worden toegerust om hun plek in de Nederlandse samenleving in te nemen. Voor de meesten van hen zal dat na hun schooltijd in een niet-christelijke (werk)omgeving zijn. Voor een goed functioneren in die samenleving zijn vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit essentieel.

Neutraal
Tegelijk laat de christelijke invulling echter zien dat een christelijke interpretatie van de basiswaarden kan conflicteren met een seculiere opvatting ervan. Zo wordt vrijheid in het huidige maatschappelijk debat vooral opgevat als autonomie – “Je mag zijn wie je wilt, je mag denken zoals je wilt” – terwijl een christelijke opvatting ervan de nadruk legt op gehoorzaamheid aan God en Zijn geboden als voorwaarde voor echte vrijheid. Als een school kiest voor een positief-christelijke duiding, zoals verwoord in de vorige artikelen, dan gebeurt er dus wel iets met die basiswaarden. Christelijke scholen moeten zich dit niet alleen bewust zijn, ze moeten het ook expliciet maken. Een democratische rechtsstaat is gebaat bij burgers die ergens voor staan (identiteitsvorming), maar die ook weten dat er alternatieven zijn; ook als je zelf zo’n alternatief afwijst, bijvoorbeeld omdat het ingaat tegen de geboden van God. Overigens ligt de bewijslast voor de explicitering van de basiswaarden niet alleen bij de christelijke school. Elke school werkt vanuit waarden, en dus vanuit een eigen levensbeschouwing. Onderwijs is nooit neutraal. Als een interpretatie van basiswaarden als algemeen aanvaard en dus als neutraal wordt gepresenteerd, is er alle aanleiding om dit kritisch te bezien. Juist rondom burgerschapsvorming is het belangrijk dat iedereen zijn waarden expliciteert.

Indoctrinatie
Wat betekent een christelijke invulling van de basiswaarden voor de praktijk van burgerschapsvorming? Richard Toes noemde in zijn bijdrage van vorige week verantwoordelijkheid de kern van burgerschap. We zijn er immers niet met een christelijke invulling van basiswaarden alleen. Het gaat ook om de toe-eigening ervan door de leerling. Dat klinkt al door in het woord ‘verantwoordelijkheid’: vormingsonderwijs vraagt om een antwoord. Een antwoord op de vraag: Wat ga je ermee doen? Welk antwoord geef je, allereerst aan de Heere God, maar daarna ook aan anderen die een appel op je doen? Dat persoonlijke antwoord is essentieel.

We raken hier de achilleshiel van het vormingsonderwijs. Vorming is meer dan doen wat anderen van je verwachten. Dat zou immers leiden tot indoctrinatie: als leerling doe je wat er wordt voorgeschreven. Dit is een spannend punt voor christelijke burgerschapsvorming. Waarden als vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit zijn immers normatief geladen. Is er voor de leerling ruimte om deze interpretatie van de basiswaarden ter discussie te stellen of zelfs af te wijzen? Vanuit een christelijk vormingsideaal gedacht, moeten we zeggen dat vorming niet kan worden afgedwongen. Daarmee is niet bedoeld dat vorming ieders eigen projectje is, los van alles en iedereen. Dan zou opvoeden en onderwijs er niet toe doen. Maar je kunt een ander niet dwingen; je kunt die ander wél dringen, en dat is precies wat christelijke leraren en andere opvoeders moeten doen. Vorming in christelijke zin komt geen leerling aanwaaien; daar gebruikt de Heilige Geest de opvoeding voor. Maar in dit proces zijn leerlingen wél zelf verantwoordelijk.

Richting
Het alternatief voor indoctrinatie is daarom geen vrijblijvendheid, maar richting geven. Leraren zijn gidsen. Om tot een persoonlijk antwoord te komen, hebben leerlingen gidsen nodig. Juist ook omdat er een veelheid van antwoorden mogelijk is; niet alleen een christelijk antwoord. De christelijke invulling van de basiswaarden laat zien dat het vormingsonderwijs niet vrijblijvend is. Je maakt immers keuzes, en daarmee blijkt dat er in de samenleving ook anders over vrijheid wordt gedacht. Tegelijk laten christelijke leraren echter horen hoe heilzaam het Bijbelse spreken over die basiswaarden is. Voor een christelijke praktijk van burgerschapsvorming is het dus de vraag of leraren gids willen zijn, zodat leerlingen antwoord kunnen geven.

Wat dat betreft is de school een oefenruimte waar leraren als gids hun leerlingen voorgaan door een gezagsvol verhaal te vertellen over God, over Zijn wereld, over de roeping die wij mensen hebben om te leven tot Zijn eer en tot heil van onze naaste. Een oefenruimte ook waar leerlingen vragen mogen stellen, hun geloof én hun twijfel mogen verwoorden en, heel belangrijk, waar ze fouten mogen maken. Wat dat betreft raakt burgerschapsvorming de kern van het christelijke onderwijs. Je zult immers ergens moeten leren oefenen, zodat die basiswaarden meer zijn dan mooie begrippen uit beleidsdocumenten. Burgerschapsvorming vraagt om oefening met waarden: hoe ga jij om met vrijheid, hoe kijk je aan tegen gelijkwaardigheid, en hoe solidair ben je met anderen? En waaruit blijkt het dat jij als christen die basiswaarden leeft? Dat zijn grote vragen, zeker voor leerlingen. Casussen kunnen helpen om het concreet te maken, maar laten we vooral de praktijk in het klaslokaal niet vergeten. Hoe gaan we als leerlingen in de klas met elkaar om, welke principes van in- en uitsluiting zijn zichtbaar, hoe draag je verantwoordelijkheid voor anderen?

Commitment
De gids speelt in de oefenruimte dus een belangrijke rol. Tegelijk moet een gids ook van ophouden weten. Vorming kan ertoe leiden dat de leerling zich verbindt aan een christelijke visie op God, mens en wereld. Het kan er ook toe leiden dat de leerling zijn commitment uitstelt; de leerling kan zelfs een afwijzend antwoord geven door een andere keuze te maken. Dat laatste is pijnlijk, vooral omdat het gaat om wat een christelijke leraar heilig en kostbaar is. Het is zelfs schokkend, omdat het bij vorming niet alleen gaat om dit leven, maar ook over ná dit leven. Maar ook dan geldt dat de leraar niet het gewenste antwoord kan afdwingen. Anders leidt vorming alsnog tot indoctrinatie, en dat is juist vanuit een christelijk perspectief dat de Heilige Geest in alle waarheid leidt, onaanvaardbaar. Als leerlingen andere wegen gaan, blijft het gebed over. Als een machtig wapen, overigens.

Sociale veiligheid
Vorming vraagt dus om richting en ruimte, om indoctrinatie en vrijblijvendheid te voorkomen. Je wilt leerlingen toerusten om hun plek in de samenleving in te nemen, maar niet met een voorgeprogrammeerd antwoord. Ze moeten persoonlijk leren antwoorden. De metafoor van de school als oefenruimte is mooi, maar ze kan ook verhullend zijn. Krijgen leerlingen echt de ruimte om zich te oefenen in persoonlijke toe-eigening? En wat als die toe-eigening niet, of anders plaatsvindt? Een christelijke uitwerking van de basiswaarden stelt ook de vraag naar de sociale veiligheid op onze scholen. Mag ik er zijn, ook met mijn vragen, ook als ik anders ben dan mijn klasgenoten? We kunnen hierbij denken aan seksuele oriëntatie; het geeft te denken dat de meeste jongeren met een homofiele geaardheid pas na hun middelbareschooltijd uit de kast komen. Zelfs met onze goede bedoelingen kan er een onveilig klimaat zijn. Het kan echter ook op andere terreinen gebeuren: als je van een andere kerk bent dan in de klas mainstream is, bijvoorbeeld.

Sociale veiligheid is voor burgerschapsvorming essentieel. Dat betekent niet dat elke keuze van een leerling moet worden toegejuicht. Maar afwijzing als persoon is nooit te verenigen met het vormingsideaal van de school. Nu is sociale veiligheid meer dan het maken van goed beleid rondom uitsluiting. Het vraagt een actieve betrokkenheid van iedereen. Daarmee is de school opnieuw een oefenplaats voor de basiswaarden van burgerschap: hoe houden we elkaar vast, niet alleen als we het met elkaar eens zijn, maar ook als we van mening verschillen? Als we dit in het kleine verband van de christelijke school niet kunnen, wat mogen we dan verwachten van de samenleving? Laat de school dus een oefenplaats zijn, voor het aangezicht van God, tot zegen van de samenleving.

Dr. A.J. Kunz
Dr. A.J. Kunz