Waar bent u naar op zoek?

blog

Opademen in de eredienst

Dr. A.A.A. Prosman: Zijn we als kerk niet te druk met onszelf?

12-09-2016

De eredienst is om op te ademen, om te concentreren op het blijvende, zegt dr. A.A.A. Prosman. De ‘enige weg’ die je volgens de Nijkerkse emeritus als predikant kunt gaan, is ‘zo dicht mogelijk bij de Schrift proberen te komen’.

‘Het is al heel wat als je als voorganger je best doet te verstaan wat een bijbelgedeelte te zeggen heeft en dat zo goed mogelijk probeert te vertolken. Daaraan heb ik mijn handen vol. Als predikant probeer ik te luisteren en waar te nemen wat in deze wereld gebeurt, verschuivingen te verstaan en te horen wat God in Zijn Woord zegt. Dan komt de actualiteit daaruit vanzelf naar voren. Een toepassing komt uit het bijbelgedeelte zelf op, of het is geen toepassing maar een stichtelijke opmerking.’

Prediking

‘Recent las ik het boekje Verschuivingen in de gereformeerde bondsprediking uit 1965. De wereld waarover prof.dr. C. Graafland daarin schrijft, is in kerkelijk opzicht een heel andere dan die van nu. Graafland streed tegen een voorwaardelijke prediking, met als belangrijke vraag: Waaraan moet ik voldoen om me een kind van God te mogen noemen? Dat was voor hem een front, maar dat is er vandaag niet meer.

Al in Graaflands tijd kwam er een kentering. De prediking wierp mensen niet meer op zichzelf terug, maar confronteerde meer direct en onbevangen met het Woord. De prediking van ds. G. Boer bijvoorbeeld, die ik als jongen in Gouda hoorde, had een bevrijdend effect. Dat was een rechtstreekse confrontatie met het Woord van God, zonder allerlei bevindelijkheidsvraagjes.

Zelfonderzoek kan martelend zijn. Je komt er nooit uit of het bij jou wel echt is. De mens is bedrieglijk en zelfs in de meest vrome ervaring kan hij zichzelf niet vertrouwen. Van die prediking zijn we als hervormd-gereformeerden nu weg.

Tegelijk vraag ik me af of we niet op een eigentijdse manier terug zijn bij een voorwaardelijke prediking. Vandaag ben je pas christen als je ook actief bent. In preken speelt vooral de vraag hoe echt jij als christen bent. Dat is weer een vorm van zelfonderzoek.

Zo’n prediking is best te verklaren. De kerk kent krimp en we voelen daarover pijn. We moeten missionair zijn, de kerk overeind zien te houden, het gemeenteleven organiseren. ‘Moeten’ is het woord. Net als ‘beleid’: zet een stip op de horizon. Maar in de kerk leven we van de Geest, niet van een stip op de horizon.’

Andere oren

‘De kerkganger van vandaag is in zijn verhouding tot God dezelfde als die ik voor me zag toen ik als predikant begon, in 1977. Wel luistert hij anders naar een preek. Door een andere kijk op God zijn de vragen van de heilstoe-eigening wat op de achtergrond gekomen. In de loop der jaren is de samenleving geseculariseerd. Parallel daaraan ontstond een sterke behoefte om handvatten te krijgen voor het christen-zijn in de praktijk van het leven.

Dat heeft nog een ander effect gehad. Gaandeweg zag ik de gemeente zich bewust worden van zichzelf. Eerst was ze meer ontvangend: er is een kerk, er wordt gepreekt en wij doen wat ons opgedragen wordt. Vandaag is de gemeente niet alleen maar afwachtend. Ze is zichzelf als subject gaan verstaan: ‘Wij zijn er ook nog.’

Eerder was er de tegenstelling tussen actief en passief. Nu zie je meer de tweedeling reformatorisch-evangelisch, al lijkt het erop dat die tegenstelling alweer over haar hoogtepunt heen is. Reformatorischen zijn wat evangelischer en de evangelischen hebben hier en daar Calvijn en de puriteinen ontdekt.

Ik vraag me af of jongeren die vanuit de evangelische hoek beïnvloed zijn nog een idee van begrippen als ‘verbond’ en ‘belofte’ hebben. Deze lijken voor hen ballast, restanten, een manier van geloven uit het verleden. De vraag is daarom of voorganger en hoorder niet op een verschillende golflengte verkeren.’

Belijdenis

‘Als hervormd-gereformeerden spreken we over het ‘goud’ van de gereformeerde belijdenis. Toch lijkt het moeilijk om dit te actualiseren. Wat is dat goud voor nu? Blijft het niet in het historische steken en lukt het maar slecht om de inhoud van de belijdenis naar het heden te leiden? Ik zie hier een verlegenheid. Als God liefde is, waarom dan een moeilijke omweg via verbond, verkiezing, wedergeboorte en dergelijke? Als God altíjd liefde is, dan is de hele dogmatiek overbodig.

Alles begint dus met de vraag: wie is God? Want wie zegt dat God van ons houdt? Hoe komen we daarbij? Dat komen we alleen uit de Bijbel te weten. We vinden daar dat Hij een verbond sluit, dat Hij tot Israël komt, en tot ons. Dat inzicht zal uit de Schrift moeten opkomen. Een verwijzing naar onze belijdenis is te weinig.

Navolging en discipelschap zijn vandaag de kernwoorden. Dat zijn bijbelse woorden, maar brengen ze niet met zich mee dat Jezus op een bepaalde manier benaderd wordt, namelijk als voorbeeld? Jezus is belangrijk, omdat Hij ons helpt om datgene te doen wat we moeten doen. Ook een woord als ‘groei’ is vandaag kenmerkend; Jezus helpt je om te groeien.

Mensen worden moe onder deze prediking. De vraag is bovendien of de prediking hiermee niet in de crisis komt. Wat is nog genade? Preken we zo geen helpende genade? Als genade het geestelijke instrument is om de gemeente te activeren, dan is ze een soort zachte dwang. Daar moet ik niet aan denken. Beter is een prediking die onder het oordeel van God plaatst en daardoor oneindig bevrijdend is. In het oordeel komt er ruimte voor Christus. Het lijkt erop dat we die radicaliteit zijn kwijtgeraakt.’

Kabbelend

‘Vandaag wordt er meer gepreekt over Jezus dan over God. Dat hangt samen met het tijdsbeeld. Wij hebben moeite met de eeuwige God. In Jezus is God naar ons toe gekomen. Jezus kwam onder ons, Hij is nabij, Hij wil bij ons horen. Maar hebben we ook oog voor de andere, meer ondoorgrondelijke kant van God?

Met een eenzijdig godsbeeld kun je je de moeilijke vragen van het lijf houden. Waar is God in het lijden, waar was Hij tijdens de Holocaust? Voor deze fundamentele vragen, waar je je niet van af kunt maken, schrikken we terug. Het kerkelijke leven krijgt daardoor, ondanks alles, een kabbelend verloop. Ik kom niet veel echte verontrusting tegen. Iedereen heeft zijn zorgen, zoals mensen die altijd hebben gehad. Dat kinderen afhaken, dat kleinkinderen niet gedoopt worden, dat het leger wordt in de kerk – we wennen eraan, accepteren het. Pas als het geld op is, ontstaat in de kerk paniek. Het is wrang om dat te constateren. Onze kerk bezint zich niet op deze dingen. Slechts één keer heeft de synode zich met de vragen van secularisatie beziggehouden: in 1988, naar aanleiding van het rapport Kerk-zijn in een tijd van godsverduistering. Daarna heeft het nooit meer op de agenda gestaan.’

Keuzes

‘De Holocaust houdt mij bezig. Niemand dacht destijds dat zoiets mogelijk was. En we weten nog steeds niet hoe die heeft kunnen gebeuren. Een buitencategorie van het kwaad, het satanische, het demonische diende zich aan. Als kerk moeten we alert zijn. Dit kan zich opnieuw manifesteren. Ik denk dat we onze cultuur niet moeten onderschatten.

We leven in een tijd die om keuzes vraagt. Een predikant moet geestelijk leidinggeven. Daarom is het belangrijk dat hij een overtuiging heeft. Ik merk dat een predikant soms vermijdt om zich over een gevoelig onderwerp uit te spreken. Hij wil voorzichtig zijn, niet provoceren, is misschien vanbinnen onzeker. Dat is jammer, want zwijgen schept onzekerheid. We moeten het lef hebben om leiding te geven. Je krijgt gezag als je een gefundeerd oordeel hebt, als je luistert en evenwichtig bent.’

 

Kwetsbaarder

‘Christenen staan vandaag minder beschermd in de samenleving dan veertig jaar geleden. Christelijke partijen vormden na de oorlog een meerderheid en konden samen het land besturen. De kerk floreerde en de christelijke scholen stonden als een huis. Als die instituten wegvallen, voel je de tijdgeest extra en ben je een stuk kwetsbaarder. De vraag is wat de eigen levensstijl van jou als christen is.

De refocultuur is een poging om de tijdgeest buiten de deur te houden. Ik heb daar best wel bedenkingen bij, maar zie haar tegelijk als een positieve bescherming. Openheid ten opzichte van de cultuur kan ons als christenen ook de das omdoen. We weten er niet goed mee om te gaan. Ik zie dat de EO op dit punt in een spagaat verkeert.’

Geduld

‘Het lijkt erop dat kerkenraden dingen in de gemeente vandaag de dag willen vastleggen. Je kunt het een verschuiving van belijden naar beleid noemen. Beleid is niet verkeerd en schept vaak de nodige duidelijkheid, zeker als in de gemeente verschillende opvattingen leven, maar het gevaar is dat het gemeente-zijn een systeem dreigt te worden en dat het geestelijke aspect eronder lijdt.

De plicht om een beleidsplan te maken werkt de gedachte van maakbaarheid van de gemeente in de hand. We organiseren wat af met elkaar. Dat geeft dynamiek aan een gemeente, maar is dat hetzelfde als een levende gemeente van Christus zijn? Het managementdenken vindt er van lieverlee zijn weg. De gemeente moet gerund worden, zo strak is het vandaag eigenlijk wel. Daar kun je weleens van schrikken. Het zijn ook vaak de hoger opgeleiden die in de kerkenraad komen. Is dat goed? Hebben lager opgeleiden in de gemeente ook een stem of worden ze óverstemd?

Laten we onszelf de vraag stellen of het managementdenken voldoende ruimte laat voor de Geest, Die Zijn eigen en verrassende sporen trekt. De roeping van een ambtsdrager is toch meer dan uitvoeren wat er in het beleidsplan staat? Volgens mij is geduld hebben een belangrijk kenmerk van het ambt. Een manager is iemand van het moment, hij wil meteen resultaat zien, een ambtsdrager is iemand van de lange adem. Een ambtsdrager is minder iemand die organiseert, maar meer een persoon die probeert om geestelijke leiding te geven.’

Kerk

‘Als hervormd-gereformeerde gemeenteleden zien we de kerk in haar geheel vandaag nauwelijks meer staan. Wat de synode doet of zegt, komt bij ons amper nog in beeld. Die tendens is versterkt na 2004, het jaar van de fusie en scheuring. Persoonlijk vind ik dat erg jammer. Hebben we afscheid genomen van de kerk, ondanks het feit dat we erin zijn gebleven? Als ik classicale vergaderingen bijwoon, kom ik maar weinig afgevaardigden uit hervormd-gereformeerde gemeenten tegen. Dat heeft me erg verbaasd, maar het is een teken aan de wand.

Ik begrijp wel dat de kerk over het algemeen weinig herkenbaarheid oproept. Dan is het gemakkelijk om je daarvan te distantiëren. Je kunt wel klagen, maar mag dat wel als je zelf niet present bent? We moeten ook lijden aan de kerk. Als predikant zou je de vragen die landelijk spelen goed in de eigen kerkenraad aan de orde kunnen stellen.’

Druk

‘De vraag is of we als kerk niet te druk met onszelf zijn. Terugkijkend was dat het geval in het proces van Samen op Weg. En vandaag zijn we doende met de reorganisatie van de kerk. Het zou goed zijn als de Gereformeerde Bond wat dit betreft de rol van luis in de pels speelde. Het is mooi om, in het kader van het landelijke missionaire project, pioniersplekken te stichten, maar ga als kerk nu eens na welke boodschap je wilt communiceren. Je loopt ertegenaan dat er op dit punt zelfs geen begin van eenheid is. De verdeeldheid in de kerk is heel groot, maar ze wordt toegedekt. Dat is haar armoede. We zijn in de kerk religieuzer, maar niet belijdender geworden.

Ik preek deze zondagen over Jesaja. Het volk Israël mocht uit de ballingschap terugkeren naar het land van de vaderen. Het volk was gedecimeerd tot de omvang van een klein clubje. Het bestond nog uit twee van de twaalf stammen, maar Gods beloften voor het volk waren niet minder geworden. Die bleven voor de volle honderd procent van kracht. Dat is het perspectief waarmee je verder kunt. Daaraan houd ik me vast.’

Tineke van der Waal