Waar bent u naar op zoek?

Geduld met elkaar

ds. J. Belder
Door: ds. J. Belder
25-05-2023

Wanneer we de inhoud verkennen van psychisch en geestelijk volwassen worden, krijgt niet alleen iedere lezer een spiegel voorgehouden. Ook de gemeente als lichaam van Christus staat voor de opdracht van zelfreflectie en bezinning.

Sigmund Freud (1856-1939), grondlegger van de psychoanalyse, beschouwt geloof als uiting van onvolwassen afhankelijkheid. Geloven is infantiel. De Utrechtse hoogleraar Psychiatrie dr. H.C. Rümke (1893-1967) weerlegt in Karakter en aanleg in verband met het geloof (1939) Freuds stelling met argumenten. In tegenstelling tot Freud omschrijft hij volwassenheid als afhankelijk kunnen en durven zijn van anderen. Wie tot geestelijke volwassenheid komt, weet zich ten volle afhankelijk van God en is ook medemensen schatplichtig, zij het op een andere wijze.

Binden aan God

Geestelijke volwassenheid raakt onze omgang met God, ons gebedsleven, onze Gods- en zelfkennis, onze geloofszekerheid en levensstijl. Je mag door genade tot geestelijke zelfstandigheid komen, zelfs Gods medewerker zijn, maar je belijdt en praktiseert afhankelijk van God te zijn. Het betekent dat Christus een gestalte in ons krijgt (Gal.4:19b), dat we niet langer vol zijn van onszelf – ondanks een klinkend cv – maar van Hem. Zelfverloochening is daar ook een aspect van. We staan in de vrijheid van de kinderen van God, zonder die vrijheid te misbruiken. Paulus spoort aan (1 Tim.4:7) zichzelf te oefenen in godsvrucht. Dat vraagt discipline.

Komen tot geestelijke volwassenheid is genade, maar heeft ook te maken met opvoeding thuis en in de kerk. Dat laatste raakt prediking, catechese en zielszorg. Hoe vaak worden we – vooral in het Nieuwe Testament – niet aangespoord op te wassen, te groeien, in kennis en godsvrucht? Er zijn groeibevorderaars en groeiremmers.

Een onveilig klimaat in onze kinderjaren kan funeste gevolgen hebben. Het kan leiden tot een vertekend beeld van God, tot een karikatuur van Hem. Wanneer we ons niet veilig konden hechten, ons niet geaccepteerd en geborgen wisten, kan dat ons geestelijk leven hinderen. Durf ik mij wel te binden aan God?

Wijst Hij mij niet af? Gekwetste mensen kunnen zich zelfs pantseren en op afstand van God willen blijven, uit vrees opnieuw te worden afgewezen. Ze durven niet te geloven dat ook voor hen geldt: begenadigd en liefdevol aanvaard door God te zijn (Ef.3:6). Wie altijd liefde moest verdienen, staat wantrouwend tegenover Gods genade; hij kan voor zichzelf niet geloven dat God onvoorwaardelijk liefheeft.

Volheid van geestelijk leven

Paulus acht het geen teken van geestelijke volwassenheid wanneer de gemeente nog altijd weinig meer dan melk verdraagt, dat zij is blijven hangen in de eerste beginselen (1 Kor.3:2; Hebr.5:12). Heeft dat te maken met de inhoud van de prediking? Dat kan, maar hoeft niet. Wel heeft iedere voorganger zijn eenzijdigheden en beperktheden. Daar mag hij natuurlijk nooit tevreden mee zijn. Is het goed, dan verlangt hij zelf ook intens naar verdiepende kennis. Die krijgt hij door te leven uit de Bron, door te wonen in het Woord en door intense omgang met zijn Zender. Niet de tijdgeest, maar de Heilige Geest is leidend en die brengt altijd bij Christus.

De rechtgeaarde prediker begeert, evenals Paulus, de gemeente op een gezond hoog geestelijk niveau te brengen. Dat doet overigens niets af van het feit dat hij en de gemeente nooit uitgroeien boven de zondaarsgestalte en dus boven Gods genade. Juist in de brieven van het Nieuwe Testament zien we wat geloven inhoudt in de praktijk van alledag. Over praktisch preken gesproken, zonder in een wettisch ijveren te vervallen. Leerzaam is wat Paulus hierover schrijft aan de gemeente van Efeze (4:11-15). Lees en herlees dit gedeelte zorgvuldig en zie dat de apostel niet tevreden is met ‘iets’, maar verlangt naar volheid van geestelijk leven.

Stokpaardjes

De prediker kan ondertussen in de dwangbuis geperst worden van wat de gemeente wil horen, het ‘hoordersterrorisme’. De dominee op zijn beurt kan wekelijks stokpaardjes berijden en de gemeente kan tevreden zijn met geijkte paadjes. De mond van God zijn is wat anders dan mensen naar de mond praten.

Dat laatste getuigt niet van geestelijke volwassenheid. Dreigt hier niet het gevaar van de Heilige Geest te bedroeven?

Er zijn in de gemeente bokken, schapen en lammeren, zuigelingen, vaders en moeders in de genade, maar baby’s moeten niet levenslang zuigeling blijven. Dat strekt niet tot Gods eer en het is evenmin nuttig voor henzelf. Het getuigt zelfs van ziekelijkheid en geestelijke luiheid genoeg te hebben aan de ‘eerste beginselen’. De brief aan de Hebreeën noemt dat ‘verval’ (5:12-14). Leven dat niet groeit, is ziek. Een preek die diep graaft om schatten aan het licht te brengen, is voor velen al snel te moeilijk. We zijn dan tevreden met een minimum en niet uit op vervulling met de Geest en de liefde van Christus.

Wees niet kinderachtig

Wie vervuld raakt van de Geest van Christus (Ef.5:18), gaat met andere ogen zien en met andere oren horen en met een andere mond spreken. Hij hoort en beziet de dingen vanuit Christus, Wiens voetstappen hij verlangt te drukken. Zijn geloof zal niet breken door lijden, aanvechtingen, beproevingen en teleurstellingen. Hij heeft een geestelijk incasseringsvermogen ontwikkeld. Hij heeft veerkracht, geduld, uithoudingsvermogen.

In het geloof gaan wij vertrouwelijk met de Heere om, zoals een kind met vader. Ondertussen beseffen we wel dat Hij de gans Andere is. Dat is een duidelijk aspect van wat klassiek ‘de vreze des Heeren’ heet. We hebben God lief boven alles. We gehoorzamen, buigen en bukken voor Hem. We tonen hoge eerbied en achting voor Hem. De trits ‘praat, daad, gewaad’ geeft daar uitdrukking aan. De vreze des Heeren doortrekt ons leven. Het opzoeken van grenzen getuigt niet van geestelijke volwassenheid.

Ambtelijk gezag

Dat geldt eveneens het ingaan tegen het ambtelijk gezag in de gemeente en het aanstoot geven door ons gedrag. Welke geest drijft ons om als man in korte broek met schreeuwerig shirt aan het heilig avondmaal te verschijnen? Daar is gemakkelijk een hele discussie over te voeren, maar getuigt dat van geestelijke volwassenheid? Een sprekend voorbeeld geeft Paulus (1 Kor.8:4-7). Hij zag geen verhindering om offervlees te eten dat gekocht was bij een heidense tempel. Breng je echter je medebroeder of -zuster daardoor in verwarring, laat het dan vooral! Wie geestelijk onvolwassen is, kan er niet toe komen eigen overtuiging te parkeren om de (zwakke) naaste niet te kwetsen. Hij gedraagt zich als een verwend kind.

Het is juist eigen aan geestelijke volwassenheid rekening te houden met de ander. Als de liefde van Christus zo ver reikt dat Hij Zijn leven voor zondaren heeft gegeven, zou ik dan niet bereid zijn dingen te doen of te laten die mijn naaste verwarren, of – in het geval van het heilig avondmaal – zijn zegen wegnemen?! Paulus was in dat geval bereid om nooit meer vlees te eten. Echte liefde is offerbereidwillig.

Zo kon Paulus omwille van de Joden en ten diepste natuurlijk om de voortgang van het Evangelie, Timotheüs, zijn medearbeider, besnijden. Hoe anders de discipelen van Jezus. Zij gedroegen zich voor Pasen maar al te vaak als kinderen. En dan niet in de zin zoals de Heiland bedoelde toen Hij zei dat we moeten worden als kinderen (Matt.18:1-5). Hij riep niet op tot kinderachtig gedrag. Daarom las hij hen de les als zij onderling weer eens competitie voerden over de vraag wie van hen de belangrijkste was.

Verdiensten van Christus

Paulus legt de vinger bij onvolwassen gedrag in de gemeente van Korinthe (1 Kor.3:3 e.v.). Er is partijen richtingenstrijd, afgunst en twist die niets van doen heeft met het waarheidsgehalte van de prediking. Men gedraagt zich niet als teleioi, volwassenen, maar als nepioi, kinderen. Wie geestelijk volwassen is, is geworteld en gefundeerd in de liefde (Ef.3:17), heeft een geestelijk onderscheidingsvermogen (1 Kor.2:15) en de gezindheid van Christus (Fil.3:15). Is het goed, dan staat hij vast in ‘heel de wil van Christus’ (Kol.4:2). Dan hebben we geduld met elkaars zwakheden. We hebben ons geoefend in godsvrucht en dus ook in zelfverloochening.

In Hebreeën 6 lezen we (vs.4,5) wat God gedaan heeft in de gemeente. Als er geen echte groei – verdiepend geloofsleven – is, ligt dat niet aan Hem. Een volwassen geloof put uit de verdiensten van Christus, leeft van Gods beloften en niet van wat mensen je opleggen. Leven in de vrijheid van Christus is leven in verantwoordelijkheid naar God en de naaste, eerlijk en oprecht.

ds. J. Belder
ds. J. Belder