Waar bent u naar op zoek?

Hoe we het geloof weer ter sprake kunnen brengen

Leven zonder God?

Dr. W. Dekker
Door: Dr. W. Dekker
Geloof
30-12-2025

Toen ik in de jaren zestig op de middelbare school zat, praatte ik vaak – ook tijdens de godsdienstlessen – met een klasgenoot die niet in God geloofde. Hij was zeker niet de enige. Toch kan ik me niet herinneren dat de vraag 'bestaat God?' ooit echt grondig aan bod kwam, zelfs niet bij een vak als godsdienst.

Ik had natuurlijk een keer mijn vinger op kunnen steken en tegen de leraar kunnen zeggen: “Ik geloof in God, mijn vriend niet, kunt u hier eens op ingaan?” Maar ik deed het niet. Blijkbaar hing er toch een soort taboe rond die vraag. Ook op catechisatie, waar ik in die tijd naartoe ging, merkte je dat duidelijk: we bespraken van alles, maar altijd vanuit de aanname dat God bestaat en dat wat de Bijbel over Hem zegt klopt.

Andere tijden

We zijn inmiddels zestig jaar verder, en de situatie lijkt totaal omgeslagen. De vanzelfsprekendheid van geloof in God is verdwenen. Hoe langer ik predikant was, hoe vaker ik met ouders sprak die ermee worstelden dat hun kinderen niet meer geloofden. In catechesemateriaal en op gesprekskringen verdween het taboe rond de vraag of God bestaat. Die vraag mocht op een gegeven moment gewoon gesteld worden.

Tussen 2003 en 2005 zond de EO het veelbesproken programma Zij gelooft, zij niet uit. Inmiddels zijn we weer twintig jaar verder, en ik vraag me af of de kwestie inmiddels niet is verschoven van taboe naar een algemeen geaccepteerd gegeven; precies zoals dat vaak gaat met onderwerpen waar ooit een taboe op rustte. Als dat zo is, zou dat jammer zijn. Deze vraag is daarvoor veel te belangrijk. Bovendien kunnen gelovigen juist tot verdieping in hun geloof komen wanneer ze de vragen en gedachten van mensen die niet (meer) kunnen geloven echt serieus nemen.

Luisteren

Als ongeloof eenmaal vanzelfsprekend is geworden – zoals het vandaag de dag soms lijkt – dreigt ook het spannende gesprek tussen gelovigen en niet-gelovigen te verdwijnen. Aan beide kanten van de kloof leggen we ons er dan maar bij neer dat het is zoals het is. Respect blijft dan het hoogst haalbare.

In sommige gevallen is dat ook begrijpelijk. Ouders moeten hun kinderen op een gegeven moment loslaten. Vroeger zei men weleens: “Als je niet meer met je kinderen kunt praten over God, blijf dan vooral met God praten over je kinderen.” In gesprekken tussen ouders en kinderen over geloof zit namelijk vaak ruis op de lijn; soms al vanaf jonge leeftijd, en zeker later. Het kan ook bijna niet anders: wat we over geloof met elkaar delen, raakt altijd aan allerlei gevoelens die zich in de loop der jaren in de ouder-kindrelatie hebben ontwikkeld.

Júíst daarom is het zo belangrijk dat anderen het gesprek blijven zoeken: vrienden, broers of zussen, mensen uit je netwerk. Met het gesprek blijven zoeken, bedoel ik: oprechte belangstelling tonen, goede vragen stellen. Ook de vraag of God nog een rol speelt in iemands leven, en zo ja of nee: waarom. Luisteren dus, echt luisteren. Tegenwoordig wordt dat ook wel ‘de ander tevoorschijn luisteren’ genoemd, en dat vind ik een mooie uitdrukking. In dit verband betekent het: zó luisteren dat de ander zich vrij voelt om eerlijk te vertellen waarom geloof in God hem of haar niet raakt, of vroeger wel raakte maar nu niet meer.

Wie zó luistert, merkt al snel of er sprake is van onverschilligheid, gemakzucht of juist van pijn. Zou iemand eigenlijk wél willen geloven, of is hij juist opgelucht dat hij dat niet meer hoeft? Zelf vraag ik mensen die zeggen niet te geloven vaak: “Zou je het eigenlijk wél willen?” In het antwoord zit meestal een zekere ambivalentie: een beetje wel, een beetje niet. En precies dáár kun je dan mooi en eerlijk verder over doorpraten.

In gesprekken tussen ouders en kinderen over geloof zit vaak ruis op de lijn

Dit artikel gratis verder lezen?
Schrijf u in voor onze nieuwsbrief en lees de volledige tekst van dit artikel.

"*" geeft vereiste velden aan

Dr. W. Dekker
Dr. W. Dekker

uit Oosterwolde is emeritus predikant.