column

Oogcontact

08-06-2021

Het collegejaar loopt op een eind. De laatste lessen worden gegeven, studenten bereiden papers voor en schrijven portfolio’s. Digitaal studeren met een groep mensen die je nooit in het echt hebt ontmoet, blijft een vreemde ervaring.

Natuurlijk is er veel meer mogelijk dan aanvankelijk gedacht. Maar het blijft behelpen.

Het afgelopen semester gaf ik het vak pastoraat. Het gesprek over pastorale theorie en theologische literatuur kan prima in een online omgeving. Anders wordt het wanneer de eerste pastorale ervaringen ingebracht worden op college en het gesprek gaat over hoe je zelf pastor bent en wat dat vraagt.

De laatste drie weken van de cursus konden we gelukkig weer gewoon op locatie bij elkaar komen: een kleine groep in een grote collegezaal. Waar we normaal onze koffie in de pauze wandelend in de gang of staand bij het koffieapparaat genoten, zaten we nu netjes in een kring. Maar we voerden wel gewoon een gesprek zoals je dat in de wandelgangen hebt. En een van de studenten zei: ‘Kijk, dit lukt in Zoom dus niet.’

Wat is het nu precies waardoor digitaal werken zo beperkt is? Gedragswetenschappers hebben daar het afgelopen jaar hun gedachten over laten gaan. Dat het zoveel energie kost, komt bijvoorbeeld doordat je ook steeds naar jezelf zit te kijken op het scherm met kleine beeldjes en doordat al die beeldjes zich ook nog eens op dezelfde manier aan je presenteren. Ondanks slimme software kost het veel mentale energie.

De beperking is toch vooral dat je elkaar niet écht ziet. Van aangezicht tot aangezicht, zoals de prachtige oude bijbelse uitdrukking luidt. Je kunt wel náár elkaar kijken, maar de webcam staat niet toe dat je iemand werkelijk áánkijkt. Techniek wringt zich tussen de onderlinge menselijke contacten.

Misschien zeggen we soms iets te gemakkelijk dat ogen de spiegel van de ziel zijn. De webcam weerspiegelt in geen geval de ziel, maar toont slechts leegte. Ondanks alle technische gemakken hebben we nog nooit zo massaal langs elkaar heen gekeken als tijdens deze pandemie.

Dr. T.T.J. Pleizier