“U weet evengoed als wij, dat in menselijke verhoudingen het recht geldt als beide partijen daar evenveel belang bij hebben, maar ook dat een sterkere partij doet wat in zijn macht ligt en dat de zwakkere zich daarin heeft te schikken.”
Zo spraken in de zomer van 416 voor Christus de machtige Atheners de inwoners van het kleine eiland Melos toe, vertelt de Griekse geschiedschrijver Thucydides ons. Ik herinner me nog de verkilling die ik voelde toen ik deze woorden voor het eerst las – als student klassieke talen, en politiek nog nauwelijks geïnteresseerd. Even voelde ik de huiver van de onverbloemde machtspolitiek door mij heen gaan. Zo langzamerhand begint het tot ons door te dringen dat de macht het weer gaat winnen van het recht. Dat is van alle eeuwen, kun je zeggen. Maar de op recht en afspraken gebaseerde wereldorde die, hoe gebrekkig ook, na de Tweede Wereldoorlog werd opgebouwd om een nieuw conflict op een zo grote schaal te voorkomen, lijkt voor onze ogen af te brokkelen, en dat met zo’n snelheid dat je je afvraagt wat er nog van overeind blijft staan. Recht is kwetsbaar en moet worden gesteund. Er hoeven maar een paar machtigen te zijn die openlijk zeggen er lak aan te hebben en het recht is weerloos. De adempauze die de wereld – althans een deel ervan – enige tientallen jaren werd gegund, lijkt voorbij. De wereld is weer het speelveld van de machtigen geworden.
Recht en vrijheid
Betekent dat dat we ons daarin hebben te schikken en het recht maar moeten laten varen? Of moeten de landen die willen vasthouden aan het recht zich bundelen en zich sterk genoeg maken om het recht dat zij voorstaan althans enigermate in de wereld te laten gelden? In een mooi, bezonnen artikel in Trouw (24-1-2026) neemt Stevo Akkerman het voor deze gedachte op: een wereldwijde ‘coalitie voor democratie en recht’ van landen die zich daarvoor willen inzetten. Een gedachte die mij aantrekt, niet enkel als oud-legerpredikant die ooit een baret met het embleem van de Verenigde Naties heeft gedragen, maar ook als gelovige, omdat recht en vrijheid, ook in hun wereldse gestalte, toch altijd een weerglans van hoger recht en vrijheid zijn en onze steun verdienen.
Gods Koninkrijk
Intussen blijft politiek – ook christelijke politiek – mensenwerk. In het gebed: “Uw Koninkrijk kome” doet de christen rechtstreeks een beroep op God. Nu zal niet iedereen bij dit gebed aan politiek denken, maar het hoort er wel bij. Volgens de Catechismus van Heidelberg vraagt men, wanneer om de komst van Gods Koninkrijk wordt gebeden, of God “elke macht die zich tegen U verheft” wil vernietigen. Ook vraagt men of Hij daarmee wil doorgaan “totdat de volkomenheid van uw rijk aanbreekt, wanneer Gij alles zult zijn in allen” (antwoord 123). Dit gebed raakt elke macht die denkt zich te kunnen laten gelden zonder een Almachtige boven zich te erkennen voor Wie hij zich te verantwoorden heeft en voor Wie hij eens, goedschiks of kwaadschiks, plaats zal moeten maken. Dat hoeft niet per se pas aan het eind van de tijden te zijn. Misschien is dit de tijd om ook de politieke kant van deze bede vanuit de Bijbel een concretere invulling te geven.
"*" geeft vereiste velden aan