Waar bent u naar op zoek?

Globaal bekeken

J. van der Graaf
Door: J. van der Graaf
07-04-2022

Ik kreeg een aantal knipsels in handen van het Kerkblaadje, een voorloper van Ecclesia (blad van de Stichting Vrienden van Dr. H.F. Kohlbrugge), alle met bijdragen van ds. S. Gerssen. In het artikel ‘Alles hangt aan een komma’, naar aanleiding van de befaamde preek van Kohlbrugge over Romeinen 7:14, vertelt hij over Kohlbrugge:

Eén van zijn goede Utrechtse vrienden was de heer Kol, firmant van het bankiershuis Vlaer en Kol, die het grote huis aan het Lepelenburg bewoonde. Eens vervoegde zich daar een jongeman uit Elberfeld, waarschijnlijk een wat losse knaap, die in Indië had gediend en zonder een cent op zak in Utrecht stond. Hij vroeg de heer Kol om wat geld waarmee hij Elberfeld kon bereiken. Voordat deze in zijn beurs tastte, wilde de heer Kol wel weten of deze jongen echt een catechisant van zijn vriend Kohlbrugge was geweest, en hij vroeg: zeg mij eens, jongeman, wat is het dankbaarste schepsel Gods? Waarop prompt geantwoord werd: de hond, mijnheer! Die reactie was afdoende, want dit betrof een markante passage uit Kohlbrugges catechisatieboekje waarin hij wilde duidelijk maken dat de dankbaarheid niet bestaat in het ontplooien van allerlei vrome werken, maar in de aanhankelijkheid aan Jezus zoals een hond aan zijn baas. (…) Wij hebben al kunnen merken dat bij hem alles, tot zelfs zijn levensgeschiedenis toe, in het licht en de schaduw van de prediking staat. Zich daartoe geroepen te weten was zijn vreugde en zijn kruis. Als wij zijn portret bekijken zien wij gelaatstrekken die iets hoogs, iets koninklijks doen vermoeden, terwijl de oogopslag indringend is en mild tegelijk. Zo was óók zijn prediking (die in vele bundels bewaard gebleven is): strak en ruim, aanklagend en vertroostend, een handhaven van het recht Gods en tegelijk een wijzen van de enige weg des heils voor alle verslagenen van geest.


In Op bezoek in de Republiek (uitg. WBOOKS) staat een fragment over Simon Stevins zeilwagen:

Het gezelschap van de Venetiaanse ambassadeur Giorgio Giorgi bezocht in 1626 het kleine visserdorpje Scheveningen, waar ze een wonderlijke uitvinding zagen:

‘Aan het strand is een dorpje dat ze Scheveningen noemen, waar ze leven van de visserij. Die mensen lijken op zeegoden. Wanneer ze zittend op een soort wagen over het strand dwalen, verbeelden ze zich misschien aan boord van een schip. Die wagen gaat, sterker nog: vliegt met alleen de kracht en sturing van de wind. Zo gebruiken ze het, en velen verplaatsen zich met een dergelijk ding.’

De ‘vliegende wagen’, die de Venetianen bewonderden, is de zeilwagen. Deze uitvinding van de wiskundige en ingenieur Simon Stevin (1548-1620) bestond uit een houten kar op grote wagenwielen voorzien van een mast met zeil. Met stevige wind in de zeilen zoefde het vaartuig over het Scheveningse strand. Avontuurlijke reizigers met connecties aan het hof konden een ritje maken, zo blijkt uit een aantal reisbeschrijvingen van voornamelijk diplomatieke bezoekers.

Prins Maurits van Oranje (1567-1625), die de wagens had laten ontwerpen, nam internationale gezelschappen geregeld mee op een ‘pleziertochtje’, waarbij hij zelf de wagen bestuurde. Na Maurits’ overlijden zette Frederik Hendrik (1584-1647) de traditie voort, onder andere ter vermaak van ambassadeur Giorgio Giorgi in 1626. De snelheid van het voertuig en de drukte op het strand leken zijn secretaris Beli niet gerust te stellen: hij eindigt zijn beschrijving met een gedicht over de zee en de dreiging van de dood. Het besturen van het voertuig was niet gemakkelijk: een goedbetaalde professionele ‘capiteyn’ stond de stadhouder bij in het ‘rondvliegen’ van buitenlandse gezanten.

J. van der Graaf
J. van der Graaf