Stel, een jongerenwerker of predikant komt de volgende situatie tegen. Hij raakt in gesprek met een 17-jarige jongen, van wie hij al een tijdje dacht dat die niet lekker in z’n vel zit. Dan zegt de jongere: “Ik weet het niet, maar soms denk ik dat ik op jongens val.” Wat is dan de beste reactie?
Voor veel werkers in de kerk zal dit een nogal fictieve situatie lijken. Zo gauw komen onze jongeren niet met zo’n ontboezeming. Toch is het goed om hierover na te denken. Hopelijk groeit in onze gemeenten een klimaat waarin het gewoner wordt dat je erover kunt praten als je (misschien) homo bent. Daarom is de vraag hoe je in zo’n situatie als pastor moet handelen uiterst relevant.
Ruimte
Vanzelfsprekend heeft iedereen goede bedoelingen. Maar dat neemt niet weg dat een pastor abusievelijk dingen kan zeggen die een jongere niet verder helpen. Wat hij in de eerste plaats nodig heeft, is een accepterende houding die communiceert: “O joh, geen man overboord, laten we het er rustig over hebben.”
Wat een pastor dus beter niet kan zeggen, is iets in de trant van: “Laten we hopen dat het niet zo is”, “Misschien gaat het wel over”, of: “Dat zou heel vervelend zijn.” Daarmee verraadt de pastor hoe hij over homoseksualiteit denkt en zegt hij meer over zichzelf dan over die jongen. Hij laat merken dat dit onderwerp voor hem een negatieve lading heeft. Misschien is dat voor die jongen zelf ook wel zo, maar dat is nog helemaal niet gezegd. Waar het op aankomt, is dat deze jongere de ruimte ervaart om erover te vertellen.
Een goed begin is bijvoorbeeld: “Als het inderdaad zo is dat je op jongens valt, hoe zou dat dan voor je zijn?” Neem zijn woordgebruik over. Als hij niet zelf over “homo” of “homoseksualiteit” begint, is het beter om deze woorden óók niet te gebruiken. Zeggen dat je al langer vermoedde dat hij homo is, is evenmin een goede reactie. Dat helpt de jongere niet in zijn proces.
Vier fasen
Het punt is namelijk dit: als hij werkelijk homo is, moet hij zijn eigen proces gaan. De taak van de pastor is om hem daarbij te helpen, niet om het voor hem in te vullen met eigen gedachten. In dat proces zijn doorgaans vier fasen te onderscheiden: erkennen dat het zo is, het leren waarderen, het gaandeweg gaan accepteren, en er verantwoordelijkheid voor leren dragen.
Erkennen dat het zo is, is voor een jongere soms al heel lastig. Grote kans dat hij het gesprek begint met de mededeling dat hij zich “afvraagt” of hij niet homo is, ook al weet hij diep vanbinnen allang dát het zo is. Hij durft het nog niet hardop te zeggen. Toch is het nodig dat die erkenning er komt. De pastor kan hem daarbij helpen door te stimuleren erover te vertellen: “Wanneer begon je je af te vragen of…?”, “Ben je al weleens verliefd geweest?”, “Hoe was het voor je om te ontdekken dat…?” Daarmee laat hij merken dat die gevoelens er mogen zijn en dat het niet raar is als ze er zijn. Om van zichzelf te erkennen dat hij homo is en mag zijn, heeft een jongere het nodig dat de ander het erkent.
Waardering
Erkennen is één ding, waarderen is een tweede. Het is mogelijk dat een jongere tot de erkenning komt dat hij homoseksueel is, en dat hij dat vervolgens heel negatief waardeert. Hij voelt zich zondig en minderwaardig, hij schaamt zich er enorm voor. Ook dat moet de pastor weer niet voor hem gaan invullen, zo van: “Je zult je wel zus-of-zo voelen.” Hij mag er wél naar vragen. Als dan inderdaad blijkt dat hij het homo-zijn erg negatief waardeert, mag het pastoraat dat heel voorzichtig proberen om te buigen naar een positievere waardering.
Daarbij maakt het natuurlijk heel erg uit hoe de pastor het homo-zijn zelf waardeert. Ziet hij het als een zonde, een psychisch probleem, een scheppingsvariant of als een vorm van gebrokenheid? Dat zal zijn taalgebruik bepalen. Iemand die homoseksualiteit als een scheppingsvariant ziet, zal al gauw zeggen: “Er is helemaal niks aan de hand met homo-zijn!” En iemand die het ziet als een zonde, kan bijvoorbeeld zeggen: “Laten we het in gebed bij de Heere brengen en Hem vergeving vragen.”
Het lijkt me het meest Bijbels om het een gebrokenheid te noemen, of met een woord dat ds. H.G. de Graaff aanreikte: “een kwestie”. Bij de oorspronkelijke schepping heeft God homoseksualiteit niet bedoeld, maar daarom is het op zich geen zonde om homoseksuele gevoelens te hebben. Het vraagt geen bekering of genezing, maar overgave aan de wil van God.
Inclusief
Vanuit deze visie kunnen we volmondig tegen een homoseksuele jongere zeggen: “God heeft een plan met jouw leven, niet ondanks je homo-zijn, maar inclusief je homo-zijn.” Dat biedt ruimte aan het homo-zijn en geeft daarom perspectief in het pastoraat. Zo helpen we een jongere om te accepteren dat hij homo is – de derde fase. Weliswaar niet met een houding van ‘hoera, ik ben homo’, maar ook niet een van ‘help, ik ben homo’. Een homoseksuele jongere mag leren zeggen: “Oké, ik ben dus homo…”
Hier is tact belangrijk. Onbewust gebruiken we in het pastoraat soms zomaar woorden uit het taalveld van het zondemodel. We denken dan naast de homoseksuele jongere te moeten staan als zondaar: “We zijn allemaal aangewezen op Gods genade”, “Ook ik heb zondige gevoelens”, en: “Gelukkig is er voor ons allemaal verzoening.” Goed bedoeld en op zich helemaal waar, maar dit soort woorden gebruiken we óók niet als we op bezoek gaan bij iemand die verdriet heeft om een verlies… Dan gaan we naast hem of haar staan als mede-lijder, niet als mede-zondaar.
Keuzes
Daarmee ontken ik niet dat een homo op een zondige manier met zijn gevoelens kan omgaan. Daarom is de fase van het verantwoordelijkheid leren dragen zo belangrijk. Uiteindelijk is dat het doel van het pastoraat aan homoseksuele jongeren: ze zijn zelf verantwoordelijk voor de keuzes die ze maken in het omgaan met hun homoseksuele gevoelens.
De pastor mag hen daarbij helpen en nabij zijn, maar hij kan die verantwoordelijkheid niet van hen overnemen. Het kan gebeuren dat ze daartoe wel uitdagen, zo van: “Het komt door de kerk, de Bijbel en God dat ik een probleem heb, dus ik verwacht dat u het voor me oplost.” Maar zo werkt het niet. Het komt erop aan hen zo lang mogelijk vast te houden, maar desnoods ook de ruimte te geven om eigen wegen te gaan.
In de gemeente kunnen we beginnen met op deze manier woorden te geven aan dit delicate onderwerp. Hopelijk komen de gesprekken dan als vanzelf.