En nu ga Ik heen naar Hem Die Mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat U heen?
De vraag die niemand stelt
Verstomd luisteren de discipelen naar de woorden van hun Meester. Ze weten niet wat ze moeten zeggen. Het was al zo wonderlijk begonnen daar in die bovenzaal. Dat Hij, hun Meester, hun de voeten zou wassen had niemand zich voor kunnen stellen, maar het was wel gebeurd. Het vuile slavenwerk, dat niemand had willen doen, dat deed Hij.
Na de maaltijd en het vertrek van Judas heeft de Heere Jezus het woord genomen. Hij vertelt over de komst van een andere Trooster, de Heilige Geest, Hij vertelt over de lijdensweg die Hij zal gaan, Hij vertelt ook over de vervolgingen waar de discipelen mee te maken krijgen. Ze zullen gehaat worden in deze wereld. De ernst van die woorden heeft de discipelen overweldigd. Ze weten niets meer te zeggen, niets meer te vragen, verbijsterd als ze zijn door zorgen over hun eigen toekomst.
De Heere Jezus merkt dat op en legt er de vinger bij. Hij zegt: “niemand van u vraagt Mij: Waar gaat U heen?” Misschien lijkt Zijn reactie wel schrijnend herkenbaar. Je nam iemand in vertrouwen om te vertellen wat er speelt in je leven en je vertelt je verhaal, maar de ander zwijgt. Er klinkt geen blijk van meeleven, er wordt geen verhelderingsvraag gesteld, het blijft stil. Pijnlijk is dat.
Hier is echter iets anders gaande. De discipelen hebben wel degelijk gevraagd waar Jezus heen gaat. Wie terugbladert in het Evangelie komt die vraag, of een vraag die erop lijkt, twee keer tegen. De ene keer is het Petrus, de rotsman die de vraag stelt en de andere keer Thomas, de twijfelaar. De Heere Jezus klaagt hier niet over het gebrek aan belangstelling van Zijn discipelen. Hij wijst Zijn leerlingen erop dat ze de vraag naar Zijn bestemming moeten blijven stellen. Dat ze juist nú, aan de vooravond van de vervolging en straks in het heetst van de strijd, moeten blijven vragen: “Waar gaat U heen?”
"*" geeft vereiste velden aan