Waar bent u naar op zoek?

Bemoediging en vermaning

Wat missen we als de Hebreeënbrief niet in de Bijbel zou staan?

Dr. R.W. de Koeijer
Door: Dr. R.W. de Koeijer
Bijbelboek
18-08-2026

De brief aan de Hebreeën is een onmisbare stem in het Bijbelse koor dat zingt van Gods heil. Wat mis je als deze brief niet in de Bijbel zou staan?

In de eerste plaats laat Hebreeën heel helder zien waarom christenen hun hoop en verwachting stellen op de Heere Jezus Christus. Hij is de Zoon van God, Die mens is geworden om offer voor de zonde te zijn. Toch komen we dit Evangelie in het hele Nieuwe Testament tegen. De brief verkondigt ook dat Christus is opgestaan uit de doden en voor eeuwig leeft. Maar ook de paasboodschap klinkt in de rest van het Nieuwe Testament helder door.

Als we een stap verder zetten, komen we bij de eigen bijdrage van Hebreeën: Christus is naar de hemel gevaren om daar voor de gelovigen te bidden en hen in deze wereld te bewaren. De brief schildert het hemelse werk van de Heere Jezus uitvoeriger dan andere gedeelten uit het Nieuwe Testament en gaat daarbij sterker in op Zijn voorbede en bewaring. Op deze manier wil de schrijver het geloof van de lezers versterken door het te richten op het aardse én het hemelse werk van Christus.

Leessleutel
In de tweede plaats levert deze brief ook een belangrijke leessleutel voor het verstaan van het Oude Testament. De rode lijn ervan is de persoon en het werk van de Heere Jezus Christus. De mysterieuze priester-koning Melchizedek, de offers, de priesters en de eredienst in tabernakel en tempel verwijzen naar Christus en zijn in Hem vervuld. Psalmen en profeten verkondigen het lijden van Christus, Zijn verhoging en een nieuw verbond. Hebreeën heeft deze lezing van het Oude Testament van geen vreemde, want Jezus Zelf zei na de opstanding tegen Zijn discipelen “dat alles vervuld moest worden wat over Mij geschreven staat in de Wet van Mozes en in de Profeten en in de Psalmen” (Luk. 24:44).

Schrijver, lezers en vorm
We weten opvallend weinig over de schrijver en de lezers van de Hebreeënbrief. Er is al veel geschreven over de auteur. Paulus lijkt dit niet te zijn, want de stijl van de brief is duidelijk anders dan die van de apostel. Verder is ook gedacht aan Apollos, de vurige prediker, of Barnabas, Paulus’ naaste medewerker op de eerste zendingsreis, maar de uiteindelijke conclusie is dat we het niet weten. “Wie deze brief in feite schreef, weet alleen God”, aldus kerkvader Origenes. Dat geldt ook voor de lezers. Ze lijken in Italië te wonen (13:24), maar zeker is dit niet. Wel kunnen we ervan uitgaan dat het vooral Joden zijn, want de inhoud van de Hebreeënbrief is onmogelijk te begrijpen zonder de kennis van Israëls geschiedenis, Schriften en eredienst.

Ook de vorm van de Hebreeënbrief valt op. Deze begint anders dan een gewone brief, want we vinden geen vermelding van de schrijver en de lezers. De schrijver zelf noemt zijn werk “woorden van vermaning” (13:22). Daarom kunnen we beter denken aan een preek of een preek in briefvorm met een dubbel doel: afwisselend een krachtige verkondiging van de verlossing die de Heere Jezus Christus heeft gebracht en een klemmende vermaning om in het geloof vol te houden. Meestal wordt een gedeelte met heilsverkondiging gevolgd door een passage waarin een waarschuwing, een opwekking of een aansporing klinkt. Zo heeft Hebreeën een uniek karakter. Wat zou de achtergrond zijn van deze samenhang? Daarvoor moeten we eerst beter letten op de twee kanten ervan: de focus op Christus en de vermaning.

Focus op Christus
De kern van deze brief is de geestelijke gerichtheid op Christus als de hemelse Hogepriester, zoals het begin van hoofdstuk 8 verwoordt: “De hoofdzaak nu van de dingen waarover wij spreken, is dit: Zo’n Hogepriester hebben wij, Eén Die Zich heeft gezet aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen” (8:1). Het begin van Hebreeën tekent Zijn komst en werk op aarde als het hoogtepunt van Gods openbaring. Terwijl God in het Oude Testament op allerlei manieren heeft gesproken via dromen, visioenen en profetische woorden, heeft Hij “in deze laatste dagen gesproken door de Zoon” (1:1). Hier zien we dat het Nieuwe Testament voortbouwt op het Oude Testament en tegelijk de vervulling ervan is. Hoe dan? Als we verder lezen in de brief, denkt de schrijver ten eerste aan allerlei schaduwen (10:1) die heenwijzen naar Christus, zoals het beloofde land, de tabernakel, de tempel, de offers en de priesters. Als Hij komt, verdwijnen deze schaduwen. Ten tweede ziet hij in het Oude Testament rechtstreekse beloften van Christus, want hij citeert regelmatig Psalmen en profeten, die hij toepast op Zijn lijden, opstanding en hemelvaart, op Zijn vernedering én Zijn verhoging. Ze tekenen Hem als Koning, Profeet en met name als Priester. Waarom besteedt de schrijver zo uitvoerig aandacht aan de persoon en het werk van Christus? Daarvoor moet een reden zijn.

Pastorale vermaning
Om de sterke focus op Christus beter te kunnen begrijpen, moeten we stilstaan bij het andere kenmerk van deze brief, namelijk de verschillende pastorale vermaningen. Een daarvan luidt als volgt: “Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor de zonden meer over, maar slechts een verschrikkelijke verwachting van oordeel en verzengend vuur, dat de tegenstanders zal verslinden” (10:26-27). Waarom deze zo indringende vermaning? Dit heeft te maken met een verleiding die het geestelijke zicht van de lezers op Christus dreigde te verduisteren. Om dit te begrijpen, moeten we op hun situatie letten.

De schrijver wijst erop dat ze het Evangelie hadden gehoord en tot geloof in Christus waren gekomen. Zijn volbrachte werk was een levende werkelijkheid voor hen geworden. Op deze manier hadden ze geestelijke rust gevonden en de weg naar het beloofde land (4:3, 8-9). Maar om een of andere reden dreigde dit te veranderen.

Vervolging en gevaarlijke terugkeer
Hoewel de Hebreeënbrief niet veel over deze verleiding vertelt, lijkt vervolging om het geloof een belangrijke rol te spelen. Terwijl de lezers volgens de schrijver al met verdrukking in aanraking waren gekomen (10:32-34), moesten ze rekening houden met nog meer. De Romeinse overheid zag in de loop van de eerste eeuw het uitbreidende christendom als een toenemend gevaar en vooral de vervolging onder keizer Nero greep diep in. Christenen kregen de schuld dat ze de brand in Rome hadden aangestoken en moesten daarvoor boeten. Vanwege deze dreiging van nieuwe vervolging was de gedachte opgekomen dat het beter leek om terug te keren tot het Joodse geloof, want dit bestond al langer in het Romeinse Rijk en werd meestal getolereerd. Daarbij was blijkbaar de overtuiging gegroeid dat het Oude Testament voldoende is, want daar gaat het ook over God, over Zijn verlossing, over de offers voor de zonde en over het beloofde land. Anders gezegd: is Christus beslissend voor je behoud?

Deze terugkeer tot het ‘oude’ geloof is volgens de schrijver geen kleine zaak, want wie het verlossingswerk van de Heere Jezus inruilt voor schaduwen, beloften, offerdienst, tabernakel en tempel zet zijn zaligheid op het spel. Het is deze verleiding die de sterke aansporingen en de scherpe waarschuwingen in deze brief verklaart (6:4-8; 10:26-31; 12:25-29). Wie de onmisbare betekenis van Christus loslaat, speelt met vuur en dreigt onder te gaan. Nu wordt ook duidelijk waarom Hebreeën zo uitvoerig ingaat op de persoon en het werk van Christus. De kernboodschap is dat Hij ver uitgaat boven de tabernakel, de tempel, de offers en de priesters, evenals het beloofde land. Hij is de Verlosser en daarom mogen de lezers Hem nooit loslaten.

De pastorale dubbelheid van bemoediging en tegelijk vermaning maakt Hebreeën dus een opvallende getuige in het Nieuwe Testament. De brief die vol is van Christus’ offer op aarde, Zijn voorbede in de hemel en van het heil dat vastligt in Hem, verwoordt tegelijk indringende pastorale vermaningen.

Prediking nu
Deze twee kanten van de Hebreeënbrief zijn de pastorale spitsen van de prediking. Het hart van de prediking is het volbrachte werk van Christus. In het kerkelijk jaar volgen we Zijn weg van kribbe naar kruis en van opstanding naar hemelvaart. Dat gebeurt niet voor niets, want zo wordt steeds weer helder dat het heil vastligt in Zijn weg en werk. In het licht van deze verlossing moet er ook plaats zijn voor de pastorale aansporing om in Hem te geloven én bij Hem te blijven. Terwijl de verkondiging van Christus’ volbrachte werk bemoediging, vastheid en zekerheid biedt, komt in de pastorale vermaning onze verantwoordelijkheid in beeld. Ook in onze tijd zijn er immers verleidingen. Met deze verantwoordelijkheid worden we echter niet op onszelf teruggeworpen. De pastorale vermaning die opwekt en waarschuwt, bepaalt ons bij de noodzaak om de Heere te zoeken via het lezen van de Bijbel, het gebed, de kerkdiensten en de verbondenheid met de gemeente. Ze wekt ons eveneens op om bij Hem te blijven.

Dr. R.W. de Koeijer
Dr. R.W. de Koeijer

is studiesecretaris van de Gereformeerde Bond.