Waar bent u naar op zoek?

Eerst Hulp Bij Ambtsdragers

Vijf handvatten voor kerkenraadswerk

Reinald Molenaar
Door: Reinald Molenaar
25-08-2026

Het kan je als betrokken gemeentelid dit najaar zomaar gebeuren: je wordt benoemd tot ouderling, diaken, of ouderling-kerkrentmeester in je gemeente. Er komt veel op je af als je deze roep van de gemeente, en dus van God Zelf, mag aanvaarden. Vijf aandachtspunten om je op weg te helpen.

1. Je eerste roeping ligt in het gezin
Het blijft altijd iets ongemakkelijks hebben, die momenten waarop de predikant tijdens bevestigingsdiensten van ambtsdragers de vrouwen en kinderen toespreekt, als God die aan de ambtsdragers gegeven heeft. Vaak zijn het woorden in de strekking van ‘het is goed om je man en vader af te staan aan de dienst van de Heere’, of bij een afscheid: ‘we zijn dankbaar dat uw man en vader de ruimte kreeg om zijn ambt te vervullen’. Dat is natuurlijk helemaal wáár, daar niet van. Maar de werkelijkheid blijkt vaak weerbarstiger. Het ambt betekent in de praktijk eigenlijk altijd: nóg een agenda erbij, wéér een avond niet thuis.

Het is goed om bij je toetreding tot de kerkenraad, in alle vreugde die dat je hopelijk ook geeft, te beseffen dat er veel druk op jezelf en je gezin komt te liggen. Spreek daar vooraf met elkaar over. En – heel schools, maar het werkt echt – stel spelregels op. Hoe vaak kun je een avond van huis zijn doordeweeks? Hoeveel voorbereidingstijd heb je nodig voor vergaderingen en commissies? Op welke momenten ben je er voor de kerk, en op welke momenten ben je er voor het gezin? Mijn advies: je bent als ambtsdrager maximaal twee avonden per week de deur uit voor de kerk. En op verjaardagen van gezinsleden ben je thuis.

Je eerste roeping ligt écht in je gezin. Die roeping mag je nooit onderschatten. Trouwen is een werkwoord. Het bouwwerk van het huwelijk heeft dagelijks onderhoud nodig. Dat blijkt wel uit de vele echtscheidingen onder ons.

En als je geen gezin hebt, geldt ook dat jouw omgeving – familie, vrienden – niet altijd hoeft te lijden onder je ambt. Bouw ruimte in voor ándere dingen dan de kerk, zodat je je ambt met vreugde kunt blijven dragen.

2. Het ambt is geen vrijwilligerswerk
Het ambt is een bediening waarin je gehoor geeft aan de roeping die je ontving van de gemeente, en dus van God Zelf. Er zijn in de kerk veel vrijwilligers actief die trouw een wekelijkse koffieochtend, een kinderclub, een actiedag of de kinderoppas organiseren. Zij dragen vanuit hun betrokkenheid op de gemeente bij aan de dienst aan de Heere. Ambtsdragers hebben een hogere roeping. Niet dat ze meer zijn dan de rest, maar hun ambt weerspiegelt iets van Gods Wezen, van Zijn heiligheid.

In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan vertelt de Heere Jezus over twee ambtsdragers, een priester en een Leviet, die hun ambt verzaken. Ze hebben geen oog voor hun naaste en laten hem bewust links liggen. De Samaritaan blijkt de ware ambtsdrager te zijn, in zorg en dienstbetoon. Hij draagt zorg voor het welzijn van zijn naaste, maar hij neemt hem niet in huis. Daar zit voor ambtsdragers misschien ook wel een wijze les in: je kunt niet álles.

3. Ambtsdrager ben je voor de hele gemeente
Je kunt het op verjaardagen nog weleens horen: “Jij zit toch in de kerkenraad? Kun jij niet regelen dat…” Je antwoord mag dan zonder nadenken “nee” zijn. Je regelt namelijk niets. Je bent met je ambtsgenoten verantwoordelijk voor het geestelijk welzijn van de hele gemeente, zodat alles uitloopt op de eer van Gods naam. Belangenbehartiging van de ene of de andere ‘richting’ is je vreemd. Je hebt altijd het geheel van de gemeente op het oog en zoekt naar wat dienstbaar is aan iedereen, jong en oud, praktisch of theoretisch opgeleid, trouw meelevend of randkerkelijk.

Deze houding kan je als ambtsdrager ook een bepaalde eenzaamheid geven. Want jij gaat niet met andere broeders en zusters voor of na een vergadering plannetjes smeden over wie een voorzet geeft en wie iets inkopt. Je bereidt jezelf goed voor en zegt wat gezegd moet worden en zwijgt als je zwijgen moet. In afhankelijkheid, biddend om wijsheid.

4. Aller dienaar, niemands heer en niemands knecht
Ambtsdrager ben je voor Gods aangezicht. Dat betekent dat je niet de baas hoeft te spelen in de kerk. En je hoeft je ook geen voetveeg te voelen. Je bent ‘aller dienaar, maar niemands heer en niemands knecht’, leerde ds. W.L. Tukker – jarenlang voorzitter van de Gereformeerde Bond – aan zijn vicarissen.

Wat kúnnen we elkaar opjagen in de kerk. Wat hebben we een ‘haast’ en wat zijn we ‘druk’. Maar leg al die stress, haast en drukte eens naast deze uitspraak neer. Ben je er geen knecht van geworden? Of heb je er last van omdat je misschien te veel wilt heersen? Laat het dan los, en beperk je tot dienaar-zijn. Je zult er zeker zegen door ervaren.

5. Ambtsdrager ben je in de kerk
Je leerde het al op catechisatie, het woord ‘kerk’ betekent: ‘wat van de Heere is’. De kerk is van God, niet van jou. Je bent dus ambtsdrager in een heilige, aan God gewijde setting. De kerk, ook de Protestantse Kerk in Nederland, is een gedaante van Christus en moet dat zijn. Je hebt dus de verantwoordelijkheid om jouw kerk steeds weer te herinneren aan haar eigen belijden, plaatselijk en op regionaal (classicaal) en landelijk niveau.

Als ambtsdrager kun je afgevaardigd worden naar de classis en de synode. Dit betekent: nog meer vergaderen, nog minder tijd voor het gezin, op het gevaar af dat het een moetje is waar je snel van af wilt zijn. Goed om je hier als kerkenraad bewust van te zijn als broeders worden afgevaardigd. Ambtsdragers moeten de ruimte krijgen voor dit werk, want juist ook op deze plekken kun je dienstbaar zijn aan je roeping. Neem de vergaderingen daar dan ook serieus. Wees alert. Wees erbij. Spreek het Woord van God na.

Dat je in de kerk je ambt draagt, betekent ook dat de kerk iets over jou te zeggen heeft. Het formulier dat bij je bevestiging gelezen wordt, vraagt: “Belooft u zich ook godvrezend te gedragen en u te onderwerpen aan de kerkelijke tucht, wanneer u zich onwaardig gedraagt?” Het woord ‘tucht’ klinkt streng, maar betekent ‘trekken’. Het is dus bedoeld om je er weer bij te betrekken als je verkeerde wegen inslaat, ambtelijk of persoonlijk. Zo mag alles wat je doet tot eer zijn van de Drie-enige God. Dan mag je horen als je aardse tijd erop zit: “Over weinig bent u trouw geweest, over veel zal Ik u aanstellen; ga in, in de vreugde van uw Heere.”

Reinald Molenaar
Reinald Molenaar

is hoofdredacteur van De Waarheidsvriend.