Waar bent u naar op zoek?

blog

Iets zeggen over Hém

Twijfels kunnen gevolg zijn van halfslachtigheid

14-03-2016

Wanneer is mijn geloof goed genoeg? Ik ervaar zoveel strijd in mijn hart, mag ik dan wel belijdenis doen? Ik wil graag belijdenis doen met een oprecht geloof; maar heb ik dat wel? En: ik weet nog zo weinig...

Je bent niet de enige wanneer je deze en andere vragen bij jezelf ervaart in je nadenken over belijdenis doen. En dat is te begrijpen. Het is tenslotte niet niks om je jawoord te geven voor het aangezicht van God en Zijn gemeente. Zeker niet als je weg wilt blijven van een scheiding tussen belijdenis doen van ‘de waarheid’ (datgene wat wij geloven) en daarnaast jouw ‘persoonlijke geloofsbelijdenis’ (datgene waarmee wij geloven). Die twee aspecten zijn wel te onderscheiden, maar niet te scheiden. 

En juist dan dringen de spanningsvolle vragen zich op. Jouw jawoord in de kerk is een eed. Een jawoord waarin je met hart en ziel belijdt je leven te willen toevertrouwen aan die God, die in en door Jezus Christus jouw God en jouw Zaligmaker geworden is. Kan ik dat wel? Mag ik dat wel? Een jawoord in de belijdenisdienst kan immers een vloek zijn, wanneer je daarna doorleeft alsof je nooit belijdenis voor God en Zijn gemeente hebt gedaan. Maar tegelijk: er bewust voor kiezen om géén belijdenis te doen, moet ook verantwoord worden!

Hetzelfde zeggen

Wat is belijden eigenlijk? Het nieuwtestamentische grondwoord voor belijden betekent ‘hetzelfde zeggen’. Nazeggen wat God in Zijn Woord zegt. ‘Amen’ zeggen op Zijn spreken. Belijden is dus ‘antwoord geven’. Ten diepste is dat bij het bijbelse woord ‘geloven’ niet anders. Geloven in God de Vader, in Jezus Christus Zijn Zoon en in de Heilige Geest (de eerste belijdenisvraag) is een door de Heilige Geest gewerkte reactie op wat God van Zichzelf heeft geopenbaard. God maakt bekend wie Hij is. En geloven is buigen voor die openbaring; erkennen dat Hij is zoals Hij zegt te zijn, en ook: vertrouwen; een toevertrouwen aan God, zoals Hij Zich in Zijn Woord heeft geopenbaard.

Belijdenis doen is dus niet allereerst iets zeggen over jezelf. Het is vóór alles iets zeggen over Hém. En daarmee zeg je dan óók iets over jezelf. Maar wat? Niet dat je een antwoord op alle vragen hebt. Ook niet dat je zo overtuigd bent van jouw eigen, goede geloof. Integendeel! Wanneer je met je jawoord belijdt dat Jezus Christus jouw enige Zaligmaker is, zonder Wie je niet leven en ook niet sterven kunt, dan belijdt je tegelijkertijd dat jij alles tekort komt en dat je in jezelf verloren ligt. Zelfs met jouw eigen geloven en belijden kun je niet voor God bestaan. Jouw jawoord is een antwoord. Niet op jouw eigen vragen, maar op datgene wat God openbaart. Jouw jawoord is ‘hetzelfde zeggen’: ja Heere, het is zoals U zegt: de zaligheid is in geen Ander!

Gedoopt

In veel gemeenten is het gebruikelijk om te knielen nadat het jawoord is gegeven. Dat zegt al heel veel: ja zeggen kan alleen biddend, in diepe afhankelijkheid. Er is reden om de knielbank dichtbij de doopvont te plaatsen. Waarom? Omdat het jawoord bij de belijdenis een echo wil zijn van Gods jawoord in het sacrament van de heilige doop. Ligt daarin niet een krachtig medicijn bij alle twijfels die zich van je meester kunnen maken, wanneer je belijdenis verlangt te doen?

Belijdenis doen is antwoord geven. Maar waarop? Op datgene wat de Heere jou in de doop heeft toegezegd. Daar klonk Zijn jawoord aan jou. En dat jawoord heeft God ‘betekend en verzegeld’ in het sacrament van de heilige doop. Toen beloofde de Heilige Geest, dat Hij ons wil toe-eigenen wat wij in Christus hebben, ‘namelijk de afwassing van onze zonden en de dagelijkse vernieuwing van ons leven.’ (doopformulier) En dat doet de Heilige Geest wanneer Hij ons brengt tot het gelovig beamen van Zijn verbondsbeloften; tot het gelovig omhelzen van de gekruisigde en opgestane Christus Die ons in de belofte geschonken is.

Jouw jawoord is niet jouw keuze allereerst; het is een antwoord op Gods keuze voor jou. Nu alleen maar ‘amen’ zeggen.

En het heilig avondmaal?

De beide sacramenten horen helemaal bij elkaar. Wie belijdenis doet en daarmee ‘amen’ zegt op wat God in de heilige doop heeft toegezegd, vraagt tegelijkertijd toegang tot het heilig avondmaal. Voor wie is het heilig avondmaal ingesteld? Voor diegenen die het voor elkaar hebben? Voor diegenen, die een ‘goed genoeg’ geloof hebben, geen strijd meer kennen en prat gaan op hun oprechtheid?

Laten we luisteren naar de verwoording van de Heidelbergse Catechismus, het belijdenisgeschrift dat nu juíst betekenis mag hebben op de weg tussen doop en avondmaal, om te leren (!) belijden. Het heilig avondmaal is ‘voor degenen die zichzelf vanwege hun zonden mishagen, en nochtans (dat is: toch) vertrouwen, dat deze hun om Christus’ wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid met Zijn lijden en sterven bedekt is; die ook begeren, hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren’ (vr. en antw. 81a).

Het gaat over ‘overblijvende zwakheid’ en over ‘begeren’.

Herken je er iets van? Wat een genade dat Christus Jezus nu juist zulke zondaren nodigt tot Zijn tafel. Zou je daar geen ‘amen’ op willen zeggen? Om dan ook straks, na het belijdenis doen, jouw aangevochten geloof te laten ‘voeden en verkwikken’ met (de tekenen van) Zijn lichaam en bloed (avondmaalsformulier)?

Gehoorzaamheid

Wat kunnen de vragen over elkaar heen tuimelen. Zeker als je merkt hoe je opgeslokt wordt in het leven van alledag. Hoe zal ik de Heere de eerste plaats geven, iedere dag opnieuw?

Het is goed om te overwegen dat belijdenis doen ook een zaak is van gehoorzaamheid. Bij Abraham kwam dat tot uiting, niet in een ‘jawoord’, maar in een ‘jadaad’. De Hebreeënschrijver tekent op dat Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam is geweest om weg te gaan (Hebr.11:8).

Let op het woord ‘gehoorzamen’. Wanneer God roept, wil die roepstem gehoord worden. En horen moet leiden tot ‘gehoor geven’. Wanneer je in overleg met anderen tot de overtuiging komt dat het goed is om meer kennis op te doen om later met meer vrijmoedigheid en met meer zegen je jawoord te kunnen geven, dan kan dat een goede beslissing zijn. In gehoorzaamheid aan de Heere en aan Zijn Woord kan een jawoord echter niet uitblijven.

Bedenk dat twijfels en allerlei aarzelingen ook het gevolg kunnen zijn van halfslachtigheid en het niet willen kiezen. Dan kan er ten diepste maar één antwoord klinken: in gehoorzaamheid de Heere belijden, nu op je knieën, in de belijdenisdienst voor God en Zijn gemeente en daarna iedere dag, die God je geeft.

Roeping

Belijdenis doen heeft dan ook iets in zich van een Gebot der Stunde

. Als Paulus verwijst naar Timotheüs’ belijdenis, spreekt hij meteen daarna over de belijdenis van Christus Jezus onder Pontius Pilatus (1Tim. 6:12-13). Dat was echt een zaak van kleur bekennen. Dat is het vandaag ook: je kunt het voor Gods aangezicht niet langer verantwoorden het nog uit te stellen. Door te belijden toon je gehoorzaamheid aan de Heere. Omdat Hij het waard is; omdat Hij je roept.

De vertolking in de tweede belijdenisvraag heeft het over ‘het aanvaarden van de roeping’ om te strijden, te volgen, te belijden en te arbeiden. Een roeping die je in gehoorzaamheid beantwoordt als je belijdenis doet. Maar ook een roeping die dagelijks terugkomt, niet voor jou alleen, maar ‘als lid van de gemeente, die God Zich in Christus tot het eeuwige leven verkoren heeft’. Samen staan we sterk. Welkom in de strijd!

Trouw

Belijdenis en twijfel; geloof en aanvechting. Toen de discipelen zagen hoe velen zich van de Heere Jezus afkeerden, stelde Hij hen een vraag: ‘Wilt u ook niet weggaan?’ Bij al jouw vragen is dat Jezus’ vraag. Neem die vraag ernstig. Onderzoek je hart. Belijd je het mee? ‘Heere, naar wie zullen wij heengaan? U hebt woorden van eeuwig leven.’ (Joh.6:67-68)

Val met je twijfels en met je aanvechting maar aan de voeten van de Heere neer. Bij het kruis van Golgotha is plaats voor twijfelachtige, aangevochten zondaren, die de Heere Jezus niet meer missen kunnen.

Je zult ondervinden dat ook na je belijdenis de strijd niet voorbij is. Maak daarom ernst met je belofte om ‘getrouw te zijn onder de bediening van het Woord en de sacramenten’, en om te ‘volharden in het gebed en het lezen van de Heilige Schrift’ (derde belijdenisvraag). ‘Strijd de goede strijd van het geloof.’ (1Tim. 6:12a) En bij alles wat in je hart opkomt, roept de Heilige Geest je toe: ‘Let op de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis: Christus Jezus.’ (Hebr.3:1b)

J.J. ten Brinke