
Johannes Calvijn preekte jarenlang op werkdagen over het boek Jesaja. Van juli 1556 tot het voorjaar van 1559 hield hij er niet minder dan 343 preken over. In de twintigste eeuw werden in Londen verloren gewaande banden met uitgeschreven preken teruggevonden. In 2023 zijn 57 preken over Jesaja 42-51 door Ruth Stawarz-Luginbühl uitgegeven. Prof. dr. Wim Moehn vertaalde er een.
Een belangrijk thema in de preken over Jesaja is de restauratie of reformatie van de kerk. Hieronder volgt een, op een enkele plaats ingekort, fragment uit de preek die Calvijn op 24 februari 1558 in Genève heeft uitgesproken. Dankzij het werk van snelschrijver Denis Raguenier kunnen we daar nu nog kennis van nemen. De preek hieronder gaat over Jesaja 45:18.
Want zo zegt de HEERE, Die de hemel geschapen heeft, die God Die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft. Hij heeft haar gegrondvest, Hij heeft haar niet geschapen opdat zij woest zou zijn, maar Hij heeft haar geformeerd opdat men erop zou wonen: Ik ben de HEERE, en niemand anders.
Jesaja zegt vervolgens dat God de aarde geschapen, gevormd en ingericht heeft zoals we die nu zien. Hij deed dat niet met de bedoeling dat ze leeg zou blijven, maar opdat we er zouden wonen. Sommigen passen dit toe op het land Judea, omdat de belofte specifiek aan de kerk gericht is. Zij letten er echter niet op dat God ons stap voor stap naar dit doel wil leiden: dat wij, in de wetenschap dat Hij ons als Zijn kudde heeft uitgekozen, erkennen dat Hij ons zal onderhouden en een trouwe bewaker van onze verlossing zal zijn
Laten we nu kijken naar de werkwijze die Hij hanteert. Wij behoren Hem toe door een veel nauwere en heiliger band dan de ongelovigen. Het is waar dat we allemaal uit het geslacht van Adam stammen en dat er in ons niets anders dan verdorvenheid is. Kortom, we zijn van nature vervloekt en hebben geen andere erfenis dan Zijn toorn, die ons dreigt te verzwelgen, omdat het doodvonnis al over ons is uitgesproken. Als we dus naar onze oorsprong kijken, verschillen we in niets van de ongelovigen. Maar God heeft ons van hen afgescheiden toen het Hem behaagde ons door Zijn Woord te verlichten en ons te betuigen dat Hij onze Vader is. Wij moeten Zijn onderwijs aannemen. Dan zal Hij ons de genade schenken om dagelijks gevoed te worden met dit geestelijke voedsel. Daarnaast zullen we getroost worden in al onze droefheden en aangespoord worden om te bidden.
Wanneer we dan zo veel middelen hebben waarmee God ons tot Zich trekt, en Hij ons naast Zijn Woord ook oefent door Zijn sacramenten, zodat we een krachtiger bevestiging ontvangen, let dan eens op hoe groot het verschil is tussen ons en de ongelovigen. De ongelovigen zijn als verstotenen: ze horen niet bij Gods huisgezin, maar zwerven hier en daar rond.

