
In je eerste brief schreef je al dat je dit gesprek spannend vindt. Je hebt iets ontdekt, in de Bijbel, in de manier waarop God je leven leidt, in ontmoetingen, iets wat heel kostbaar voor je is. En dat wil je heel graag bewaren.
Ik herken dat bij mezelf. Ook die onverdraagzaamheid uit dat citaat van Keller. Ik moest denken aan de door-en-door gereformeerde theoloog Gresham Machen die ergens schrijft dat hij veel liever te maken heeft met een overtuigde rooms-katholiek dan met een protestant die zijn eigen overtuigingen voortdurend relativeert. Het doet ertoe wat je gelooft! En dan toch in nederigheid en biddend om de leiding van de Heilige Geest over je geloofsovertuigingen in gesprek te gaan, zeker als het gaat over overtuigingen die niet in onze belijdenis zijn verwoord en dus door de kerk der eeuwen niet als hoofdzaken zijn gekwalificeerd.
Bij mij bleef haken wat je schrijft over de blijvende schatplichtigheid aan Israël, want: “U draagt de wortel niet, maar de wortel u” (Rom. 11:18b). Ik voel aan wat je daarmee wilt bewaren. Toch denk ik bij de ‘wortel’ niet allereerst aan Israël, maar aan de God van Israël en Zijn verbond met Abraham, vol beloften voor het volk Israël en in hen voor de hele wereld. Hoezeer Israël de eerste ontvanger is van deze beloften (‘de natuurlijke takken’) en hoezeer wij christenen uit de heidenen via hen Gods Woord en zelfs Zijn Zoon ontvangen hebben, Israël kan ons uiteindelijk niet dragen. “Wie is een rots dan alleen onze God?” (Ps. 18:32) Op Hem, op Zijn beloften kun je bouwen. Daarom twijfel ik er niet aan dat God Zijn trouw ook in onze tijd aan Israël zal bewijzen en blijven bewijzen.

