De gereformeerde gezindte weet zich geen raad met de doop. Ondanks een ondubbelzinnig en krachtig doopformulier dat de geloofstaal van de Reformatie spreekt, gaat zijn betekenis volkomen ten onder in de honderden mitsen en maren waarmee het wordt uitgelegd. Dat is ook de ervaring van dr. Van Vlastuin, zowel bij het schrijven van zijn boek In Christus gedoopt als na de publicatie ervan. Gaat dit boek ons helpen?
In Christus gedoopt is een lijvig en hartstochtelijk boek geworden over het doopformulier. Op verschillende momenten beschrijft de auteur hoe hij in zijn geestelijk leven is vastgelopen op een manier van denken waarin de doop is uitgekleed. Wat de Heere ons in de doop onomwonden betuigt en verzegelt, wordt in prediking, pastoraat en catechese ernstig afgezwakt, omdat er vooral veel nadruk op wordt gelegd wat er met een mens gebeuren moet. Of omdat de betekenis van de doop verstandelijk kloppend moet worden gemaakt met de leer van de verkiezing, de wedergeboorte en de tweeërlei kinderen van het verbond. Daarin is niet alleen de auteur zelf vastgelopen, hij ziet er ook vele anderen in de gereformeerde gezindte in stranden. Zo hebben onze vaderen het formulier toch nooit bedoeld?! De doop werpt ons op Christus terug en niet op onszelf! Deze hartstocht deel, waardeer en onderstreep ik van harte. Het is meer dan nodig dat er nieuwe reformatorische helderheid wordt gegeven over de betekenis van onze doop. Als hoogleraar theologie en spiritualiteit van het gereformeerd protestantisme en rector van het Hersteld Hervormd Seminarium lijkt dr. Van Vlastuin daarvoor dé aangewezen persoon en autoriteit te zijn.
Onverdiend
Van meet af aan is doorslaggevend om de doop te zien als sacrament waarin de Heere Zich met ons in een relatie stelt. God poneert deze relatie. Dat doet Hij ongevraagd en onverdiend. Deze relatie bestaat onafhankelijk van wat wij ervan terechtbrengen. Wij worden in onze doop in de realiteit van het heil van Christus geplaatst. Van Vlastuin spreekt hier grote woorden, maar niet té groot. Het zijn immers de woorden van Romeinen 6; het hoofdstuk waarmee de gereformeerde gezindte verlegen lijkt te zijn. Van Vlastuin honoreert het sacramentele karakter van de doop als een handeling van Godswege. Pastoraal krijgt dat handen en voeten in fijnzinnige passages als: “Als wij niets meer hebben om op te hopen, leert de doop ons te hopen op God. De doop blijkt waar te zijn als alles in mij schijn blijkt te zijn. Als ons geloof en onze bekering onwaar blijken te zijn, blijkt de doop waar te zijn. Want de doop verzegelt niet dat ons geloof waar is, maar dat God waar is”, en: “De doop wil ons ervan verzekeren dat onze zaligheid Gods zaak is.”
Het is alsof we hier Luther en Kohlbrugge horen getuigen! Kohlbrugge noemt de doop trouwens ook een toe-eigening van Christus’ dood. Daarmee gebruikt hij het woord toe-eigening anders dan in de gereformeerde gezindte gebruikelijk is. Hier begint dan ook langzaam maar zeker een begripsverwarring te ontstaan. Bij de toe-eigening van het heil hebben de theologen van de late Nadere Reformatie en de negentiende eeuw gedacht aan het innerlijke werk van de Heilige Geest. Meer en meer kwam daarbij de nadruk te liggen op wat een gelovige daarvan ervaart en ziet. In een poging om aan de Scylla van het rationalisme te ontkomen, heeft de gereformeerde theologie in de achttiende en negentiende eeuw zich ongemerkt door de Charybdis van de romantiek laten vangen – met alle uitlopers daarvan in de gereformeerde gezindte van de eenentwintigste eeuw. De nadruk is daardoor te veel op de mens en wat God in (het gevoelsleven van) de mens werkt komen te liggen. Met als gevolg dat we onze reinigmaking en zaligheid niet buiten onszelf, in Jezus Christus zoeken, maar in wat we aan sporen van de Heilige Geest in ons eigen hart en leven vinden. Nu, daartegen verzet Van Vlastuin zich op zeer goede gronden.
"*" geeft vereiste velden aan