
Waar zie je dat de Heere geschiedenis schrijft? Een pittige vraag die ik, als predikant, in gesprekken met gemeenteleden zo nu en dan ter tafel breng. Antwoorden die ik hoor, hebben vaak een gezamenlijke noemer: de Heere brengt licht, verlicht, brengt redding; op allerlei gebieden.
Het boek Zefanja laat zien dat de Heere Juda niet alleen redt, maar ook oordeelt; niet als een koele aankondiging, maar als een oproep aan ieder die het hoort. Zefanja kan ons ook helpen om breder te kijken en te ontdekken wat Gods doel is met de manier waarop Hij geschiedenis schrijft. Onder alle volken!
Het opschrift (1:1) vermeldt koning Josia. Over Josia lezen we onder meer in 2 Koningen 22 en 23. Hij regeerde van 640-609 voor Christus. In een gewapende confrontatie met farao Necho en diens leger werd hij gedood. Het is de tijd van toenemende Assyrische druk in het oostelijk Middellandse Zeegebied. Op hoog niveau werd gezocht naar militaire en politieke allianties om eigen zelfstandigheid en onafhankelijkheid zo veel mogelijk te waarborgen.

De Heere is niet alleen de God van Israël, maar evengoed van de volken, met wie Hij ook Zijn weg gaat.
Baälcultus
Nadat een boekrol met de wet van de Heere is ontdekt bij de restauratie van de tempel (2 Kon. 22:8-20) roeit Josia de afgodendienst in Jeruzalem uit (2 Kon. 23). Zefanja 1:4-5 beschrijft onder meer een Baälcultus in Jeruzalem en Zefanja 3:4 maakt duidelijk dat de priesters de tempel van de Heere ontheiligen. In deze teksten vinden we aanwijzingen die erop duiden dat Zefanja (delen van) zijn boek heeft opgeschreven voordat Josia in 622 voor Christus Jeruzalem en Juda zuivert van afgodendienst.
In grote lijnen ontdekken we in het boek Zefanja twee delen. Het eerste deel (Zef. 1:2-18) beschrijft de aankondiging van de dag van de Heere. Het tweede deel (Zef. 2:1-3:20) is een oproep tot omkeer en om de Heere te zoeken.
De dag van de Heere
De woorden die Zefanja namens de Heere spreekt, klinken onheilspellend. De Heere zal alles van de aardbodem wegvagen. Mens en dier vinden hun einde. De woorden klinken als een anti-schepping. De mens krijgt bijzondere aandacht. Tot twee keer toe laat de Heere zeggen dat Hij juist hen zal uitroeien.
Een uitwerking en motivatie voor het gevelde en onherroepelijk ogende vonnis vinden we in Zefanja 1:4-6, 8-9, en 12. De verzen 4 tot 6 beschrijven directe afgodendienst. In Jeruzalem en Juda waren tempels en heiligdommen gebouwd voor meerdere goden en godinnen. Al is het ingewikkeld om opgegraven voorwerpen en bouwstructuren direct te verbinden met afgodendienst en afgodentempels, er zijn voldoende aanwijzingen in het bodemarchief van Juda en Jeruzalem gevonden die bevestigen dat in Jeruzalem en Juda allerlei goden werden vereerd. Zefanja zelf noemt Baäl, het leger aan de hemel, en Malcam.
‘Hun koning’
Malcam kan ook vertaald worden als ‘hun koning’. Het is boeiend om ook deze optie voor vertalen te laten staan. In deze lezing van de tekst is dan een van de redenen die de profeet noemt voor het oordeel van de dag van de Heere dat inwoners van Jeruzalem en Juda zich neerbuigen voor zowel de Heere als hun koning. Juist de combinatie van deze twee vormt een overtreding van Gods geboden. De aardse macht krijgt een te hoge status en wordt op één lijn gezet met Gods macht. In andere woorden: een te nauwe verbinding tussen staat en godsdienst.

