
Wanneer we ons afvragen wat het inhoudt om geroepen te zijn in kerk en wereld, zouden we voor een antwoord bij onszelf en onze eigen vragen kunnen beginnen. Wat betekent die roeping wanneer de gemeente krimpt of de werkdruk te zwaar wordt? En wat betekent het eigenlijk dat ik door de gemeente geroepen word? Wijzelf zijn echter niet het juiste vertrekpunt.
Ik wil niet zeggen dat dit geen belangrijke vragen zijn. Maar wanneer de Schrift over het ambt spreekt, begint zij ergens anders. Niet bij ons, maar bij het Hoofd van de kerk: Christus. Dat is fundamenteel. We kunnen veel spreken over het functioneren van ouderlingen en diakenen, over beleid, visie en toekomst. Maar wanneer we niet beginnen bij Christus, verliezen we de kern van het ambt.
Opdracht
Laten we in gedachten naar het Meer van Tiberias gaan. Na Zijn opstanding spreekt Jezus daar met Petrus. Niet met de zelfverzekerde Petrus die ooit zei: “Al zullen zij U allen verlaten, ik nooit”, maar met een gebroken Petrus, die zijn Meester driemaal heeft verloochend. Misschien heeft Petrus zich na zijn verloochening afgevraagd: kan ik nog wel een herder van de gemeente van Christus worden? Maar Christus schrijft hem niet af. Hij zoekt hem op en herstelt hem in Zijn dienst. Driemaal vraagt Hij: “Simon, zoon van Jona, hebt u Mij lief?” Allereerst klinkt dus niet de vraag naar geschiktheid, bekwaamheid of bereidheid, maar de vraag: heb ik Christus Jezus lief? Driemaal klinkt die vraag en driemaal volgt de opdracht: “Weid Mijn lammeren. Hoed Mijn schapen. Weid Mijn schapen.”
Let op de volgorde. Eerst de gemeenschap met Christus, daarna het werk in Zijn Koninkrijk. Wie die volgorde omkeert, maakt van het ambt een functie. Wie haar bewaart – eerst Christus en daarna het ambtswerk – verstaat het ambt als een roeping.
Nog iets valt op. Jezus zegt niet: “Weid jouw schapen”, maar: “Mijn schapen”. De gemeente is niet van de kerkenraad en niet van de predikant. Zij is van Christus. Hij heeft haar gekocht met Zijn bloed. Dat geeft aan het ambt een grote verantwoordelijkheid. Wij zijn allereerst verantwoording schuldig aan Christus. Maar het geeft ook ontspanning. Wij hoeven de kerk niet te redden en de gemeente niet door onze inzet in stand te houden. Christus zorgt voor Zijn gemeente. Wij zijn geroepen om trouw te zijn aan de opdracht die Hij ons geeft.
Bemoedigen
We zijn verder in de tijd. Petrus is ouder geworden en heeft het onderwijs en de opdracht van Jezus in zijn leven meegenomen. Dat merken we in zijn eerste brief. De christenen hebben het op dat moment zwaar en worden vervolgd. Zij leven als vreemdelingen in een samenleving die Christus niet kent. In deze moeilijke tijd voor de kerk – toen en ook vandaag – mag Petrus hen bemoedigen. Met hetzelfde doel richt hij zich in hoofdstuk 5 tot de ambtsdragers: “De ouderlingen onder u roep ik ertoe op, als medeouderling…”

