
Hoe kan God toekijken bij zo veel onrecht? Als God bestaat, dan had Hij toch ingegrepen? Een vraag die je zomaar op een verjaardagsvisite kan worden gesteld. Of: Heere God, waarom bevrijdt U mij niet van al het onrecht dat mij wordt aangedaan? Zo kan die vraag ook in je eigen leven klinken.
Habakuk worstelt met een vergelijkbare vraag: God is rechtvaardig en bevrijdt van onrecht; hoe kan God passief blijven bij al het onrecht dat ik zie in de maatschappij, en dat ook mij persoonlijk hard raakt? In deze vraag gaat het uiteindelijk om Wie God is. Het boek van de profeet Habakuk is verbluffend actueel en raakt de kern van het geloof.
De tijd van Habakuk
Een sterke aanwijzing voor de tijd waarin Habakuk leefde, vinden we in 1:6. De Heere antwoordt op de klacht van Habakuk dat Hij passief toekijkt bij al het onrecht in zijn land, dat Hij de Chaldeeën zal sturen. In 605 voor Christus vond de slag bij Karchemis plaats, een stad gelegen langs de rivier de Eufraat, 100 kilometer ten noordoosten van Aleppo. Verwijzingen naar deze veldslag komen we tegen in Jeremia 46:2 en Jesaja 10:9. Bij deze slag werd het machtige Egyptische leger uiteindelijk verslagen door de Babyloniërs, die vanaf dat moment een serieuze bedreiging vormden voor de landen langs de oostelijke kant van het Middellandse Zeegebied tot aan de grens van Egypte. En daarmee voelde ook Juda de druk van de Chaldeeën (Babyloniërs).
Juda in de tijd van Habakuk
In Juda regeerde in deze tijd koning Jojakim, een van de zonen van de vrome koning Josia. Jojakim werd door de farao uit Egypte als koning geïnstalleerd in plaats van zijn broer Joahaz. Al snel kreeg Jojakim te maken met Babylonische overmacht, waar hij na enkele jaren tevergeefs tegen in opstand kwam (2 Kon. 23:35-24:6).
Het koningschap van Jojakim, de manier waarop hij dit invulde en de dreiging van de Babyloniërs zijn van groot belang om de boodschap van de profeet Habakuk te begrijpen. Jojakim diende de afgoden en buitte zijn onderdanen uit door zilver en goud van hen te eisen om farao Necho van Egypte te betalen (2 Kon. 23:35). Jeremia beschrijft hoe Jojakim de profeet Uria, die in de naam van de Heere profeteert, achtervolgt en laat doden (Jer. 26:20-23). De schrijver van 2 Koningen omschrijft de regering van Jojakim met de woorden: “Hij deed wat slecht was in de ogen van de Heere” (2 Kon. 23:37), een uitdrukking waaruit is af te leiden dat Jojakim openlijk afgoden diende, en het volk daarin voorging.
Opbouw van het boek
Habakuk is te verdelen in drie delen. In de eerste twee horen we Habakuk klagen. Hij eindigt met een gebed waarvan met name de laatste verzen breed bekend zijn.
Binnen de drie hoofddelen zien we in het centrum telkens de Heere en Zijn woord en actie. Deze structuur is heel belangrijk, omdat het boek Habakuk ons daarmee leert om niet onze eigen vragen en twijfels centraal te stellen – al krijgen ze zeker hun plek – maar de Heere Zelf. Als we deze weg door het boek heen volgen, mogen we instemmen met de laatste verzen van het boek Habakuk, waarin hij zijn vertrouwen in de Heere belijdt.

