“Mijn enige geloofsbelijdenis is de Bijbel”, hoor je weleens. Naast culturele weerstand tegen geloofsbelijdenissen leeft ook dit Bijbelse bezwaar: is de Bijbel niet genoeg, en geven we menselijke geschriften zo niet te veel gezag? Vaak schuilt hier een oprecht verlangen achter om het unieke gezag van de Bijbel als Woord van God recht te doen.
Toch is deze tegenstelling tussen geloofsbelijdenissen en de Bijbel niet terecht. Allereerst vormt iedere christen bij het lezen van de Bijbel onvermijdelijk een eigen ‘belijdenis’ waarin hij zijn geloof samenvat, al is hij zich daarvan misschien niet eens bewust. Sterker nog, ieder mens heeft diepste overtuigingen over God, de wereld en het doel van het leven.
De vraag is dus niet óf we een geloofsbelijdenis hebben, maar wélke. Is het onze eigen belijdenis; vaak niet op papier, weinig doordacht en gevoelig voor eenzijdigheid, gekleurd door onze voorkeuren? Of is het een oude kerkelijke belijdenis, met breed draagvlak, grondig doordacht, publiek (dus bespreekbaar) en beproefd door de tijd?
Afgeleid gezag
Daarnaast zijn goede geloofsbelijdenissen niets anders dan samenvattingen van de Bijbel zelf. Ze tasten het gezag van de Bijbel dus niet aan, maar bevestigen het juist. Ze laten zien dat de Bijbel geen wassen neus is, maar dat de inhoud ervan nauwkeurig en normerend kan worden verwoord en doorgegeven. Het gezag van een geloofsbelijdenis is daarom altijd afgeleid gezag. Anders gezegd: een geloofsbelijdenis heeft alleen autoriteit voor zover zij de Bijbelse boodschap of een belangrijk Bijbels thema helder en krachtig verwoordt en samenvat.
In de Bijbel zelf
Nog een laatste kanttekening bij de uitspraak “Mijn enige geloofsbelijdenis is de Bijbel” is dat we in de Bijbel zelf al geloofsbelijdenissen tegenkomen. Neem het sjema jisraël: “Luister, Israël! De HEERE, onze God, de HEERE is één!” (Deut. 6:4). Of de bekendste belijdenis van het Nieuwe Testament: “Jezus is Kurios” (o.a. 1 Kor. 12:3). Of Paulus’ beschrijving van het evangelie in 1 Korinthe 15:3-5, Filippenzen 2:6-11 en 1 Timotheüs 3:16.
Deze ‘Bijbelse’ geloofsbelijdenissen zijn de eeuwen door aangevuld door een breed scala aan kerkelijke belijdenissen. De belangrijkste ontstonden in de vroege kerk en de tijd van de Reformatie, vaak in een context van crisis en aanvechting, momenten dat het er echt op aankwam.
God erkennen en eren
Geloofsbelijdenissen hebben verschillende functies. Allereerst zijn ze gericht op God Zelf. In antwoord op Zijn Zelfopenbaring, vooral in de Bijbel, belijden we Hem als onze God, onze Schepper en onze Verlosser in Zijn Zoon Jezus Christus.
Mooi om dat in de kerkdiensten ook steeds weer te doen: om God te erkennen en te eren met bijvoorbeeld de Apostolische Geloofsbelijdenis of met de woorden van zondag 1 of 10 van de Heidelbergse Catechismus. Dat is ook hard nodig. Zomaar raken we dat zicht op God kwijt, met een hart dat zo geneigd is om God aan te passen aan onze gedachten en verlangens en met al die namaakgoden en machten van onze tijd waar we ons zomaar aan toevertrouwen.
Bij het doen van openbare geloofsbelijdenis en bij de doop en het avondmaal krijgt dit beamen van kerkelijke geloofsbelijdenissen – aangereikt in onze formulieren – nog extra gewicht. Zoals dr. A.A. van Ruler zei: “We mogen met onze eigen stem meezingen met het koor van de kerk der eeuwen, een lied voor onze God!”
"*" geeft vereiste velden aan