
Dit jaar is het vermoedelijk 1600 jaar geleden dat de kerkvader Augustinus zijn omvangrijke werk De stad van God afrondde. Het is een van zijn bekendste geschriften geworden. Met zijn bijna vierhonderd overgeleverde handschriften is het vermoedelijk het meest overgeschreven christelijke werk uit de Latijnse oudheid.
Toen Europeanen in de vijftiende eeuw gaandeweg de kunst van het drukken van boeken onder de knie begonnen te krijgen, werden van De stad van God beduidend meer edities gedrukt dan van andere werken van Augustinus, zoals de Belijdenissen of De Drie-eenheid. Wat maakt dit boek zo bijzonder?
Val van Rome (410)
De directe aanleiding tot het schrijven van De stad van God was de val van Rome in het jaar 410 en de reacties van tijdgenoten daarop. De stad werd ingenomen door de Westgoten onder leiding van de Germaanse krijgsheer Alarik I. De stad werd geplunderd en na enkele dagen in een ravage achtergelaten. De gebeurtenis maakte diepe indruk. Rome stond symbool voor het grote Romeinse Rijk en de inname van de stad leek een teken van een grotere crisis: het verval van het rijk als zodanig.
De Westgoten, waarvan Alarik I de leider was, waren christenen van ariaanse signatuur. In het Romeinse Rijk was het christendom sinds 380 staatsgodsdienst. Dat leverde vragen op. Augustinus vertelt dat de “vereerders van talloze onware goden die wij met een gebruikelijke naam heidenen noemen” (Herzieningen 2.69) de christelijke godsdienst de schuld gaven van de rampspoed. Sinds de verering van de goden van het rijk had plaatsgemaakt voor de christelijke godsdienst, zo vonden zij, was het rijk door ongekende tegenslagen geteisterd. Christenen zelf hadden ook moeite om de gebeurtenissen te duiden. Hoe is het te begrijpen dat juist in “christelijke tijden” de stad Rome ten val komt? “Waarom wil God het?” Op die laatste vraag van kerkgangers gaf Augustinus in het jaar 411 onder meer het antwoord: onderwerp je aan de wil van God, wees geduldig en bereid om te gehoorzamen (preek 296). Gods wil en wereldbestuur kunnen wij niet doorgronden.
Groot project
Maar Augustinus had in de regel op moeilijke vragen meer dan één antwoord, en omstreeks het jaar 413 begon hij aan een groots opgezet werk dat zou ingaan op de vragen en kritiek die de val van Rome had ontketend. Tegelijk zou hier ook de ware stad van God met haar geschiedenis en toekomst worden beschreven. Het grote project duurde ruim dertien jaar: Augustinus heeft er gestaag, naast vele andere verplichtingen, aan doorgewerkt en de delen die gereed waren in etappes voor publicatie vrijgegeven. In of rond het jaar 426, inmiddels dus zo’n 1600 jaar geleden, was het werk voltooid. Augustinus was toen de 70 al gepasseerd.
Hoofdlijn
Aan de enorme diversiteit van onderwerpen die Augustinus aansnijdt in De stad van God, kan natuurlijk niet goed recht worden gedaan in het kort bestek van een artikel. Het werk lijkt op het eerste gezicht misschien wat onoverzichtelijk, al is de hoofdlijn van het betoog helder genoeg. Augustinus reageert eerst op hen die de Romeinse goden vereren om aards voordeel te verkrijgen (boek 1-5), vervolgens op hen die deze godsdienst voor het hiernamaals nodig achten (boek 6-10). Daarna komen de ware stad van God en haar tegendeel, de aardse stad, ter sprake in hun ontstaan (boek 11-14), ontwikkeling (boek 15-18) en einde (boek 19-22). Augustinus gaat dus ook uitvoerig in op de Bijbelse geschiedenis. Hij onderscheidde daarin zes perioden, waarvan de laatste begonnen was met de geboorte van Christus (22.30). Daarna volgt de eeuwige sabbatsrust.

