Waar bent u naar op zoek?

De relevantie van 1951 en 2004

Jubileum: Kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk 75 jaar

Mr. Max van der Klooster
Door: Mr. Max van der Klooster
17-08-2026

Eerlijk gezegd vermoed ik dat de lezers van De Waarheidsvriend evenmin als ikzelf stilstonden bij het feit dat 75 jaar geleden de Kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk in werking trad. Toch had de redactie gelijk dat we dit historische feit niet stilzwijgend moeten laten passeren.

De Nederlandse Hervormde Kerk als “de vaderlandse kerk”, ontstaan tijdens de Reformatie, was sterk verbonden met de nationale staat en cultuur. De koning als staatshoofd was, anders dan in de Anglicaanse Kerk, niet het (titulaire) hoofd van de kerk. Wel was hij het onder wiens gezag de nationale kerk werd erkend en gereglementeerd.

Zonder op de koninklijke Reglementenbundel in te gaan, zal duidelijk zijn dat het een veelzeggend moment was toen in 1951 niet meer het Nederlandse staatshoofd, maar de

Nederlandse Hervormde Kerk zelf haar eigen statuut – de kerkorde – vaststelde. Velen juichten deze stap naar eigen regie van de kerk toe als principieel en theologisch juist. Anderen treurden nog lang over deze revolutionaire daad van het doorsnijden van de formele relatie met de door God gegeven koning uit het huis van Oranje.

Grotere stap
Hoe dan ook, de stap in 1951 van een koninklijke Reglementenbundel naar een door de kerk vastgestelde kerkorde, was ten principale een grotere dan de vervanging in 2004 en daarna van deze kerkorde door de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland of de kerkorde van de Hersteld Hervormde Kerk, beide voortbouwend op die kerkorde van 1951.

Kerkordespecialist dr. P. van den Heuvel acht het verdedigbaar dat de kerkorde van 1951, mede dankzij haar belijdende karakter, niet alleen een belangrijk stempel drukte op het kerkelijk leven, maar zelfs sterker samenbindend heeft gewerkt dan de zogenoemde ‘formulieren van eenheid’ (zie de verantwoording in 1991 bij zijn handboek De Hervormde Kerkorde. Een praktische toelichting).

Voor de religieuze impact van een kerkelijk voorschrift is van groot belang hoe dat voorschrift tot stand komt en onder wiens gezag dat voorschrift wordt vastgesteld en gehandhaafd. Dat neemt niet weg dat voor het geestelijk karakter en het daadwerkelijk functioneren van de kerk belangrijker is wat de inhoud en de strekking van dat voorschrift is, en ook of en hoe het voorschrift in de praktijk wordt nageleefd.

Wat ging vooraf aan 1951?
Ook vandaag nog grijpen bepaalde kerkgenootschappen terug op de Dordtse Kerkorde van 1619 (DKO). Twee eeuwen later, in 1816, werd bij koninklijk besluit het Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk ingevoerd. Menigeen heeft nog wel paraat hoe de weerstand tegen het dwingend opgelegde, via bestuurscolleges in plaats van ambtelijke vergaderingen ingevulde en het door de rijksoverheid gehandhaafde centralistische regime ervan, tot ontlading kwam. Denk aan acties zoals die van ds. Ledeboer tegen het gedwongen gebruik van de gezangenbundel en andere onderdelen van de Reglementenbundel. Ook de Afscheiding in 1834 is te relateren aan verzet tegen de met overheidsinschakeling afgedwongen naleving van gekritiseerde invulling van het kerkelijk functioneren.

Voor verdere duiding van het karakter van de regelingen die voorafgingen aan 1951 en de daaruit te trekken lessen, zie onder andere de bundel Ramp of redding? 200 jaar Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden 1816-2016 (dr. Fred van Lieburg, dr. Joke Roelevink (red.), 2018).

Karakteristieken
Wat kenmerkt nu het nieuwe, andere karakter van de kerkorde van 1951? Aan bovengenoemde beschrijving door dr. Van den Heuvel ontleen ik de volgende aspecten.

  • De koning was de hoogste gezagsdrager in de kerk – zelfs plaatselijke reglementen behoefden zijn goedkeuring – en de kerk werd geregeerd door bestuurscommissies, maar nu worden vergaderingen van ambtsdragers in een presbyteriale structuur, op geestelijke wijze, verantwoordelijk. Het belijden van de Drie-enige God komt centraal te staan, in plaats van de zorg voor de belangen van de kerk.
  • De focus op het Koninkrijk van God komt in de plaats van deugdelijke zaken zoals “de bevordering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendracht, en de aankweking van liefde voor Koning en vaderland” als hoofddoel van alle kerkelijke bestuurders.
  • Er komt accent op de apostolaire roeping van de kerk als Christusbelijdende geloofsgemeenschap in de wereld. Daarbij komt voor het eerst de relatie tot Israël aan de orde (en dan niet als zendingsobject).
  • De kerkorde krijgt een belijdend karakter: de Heilige Schrift is bron en norm van de verkondiging, Gods Naam wordt, ook in de ambtelijke vergaderingen, beleden en de kerk weert wat haar belijden weerspreekt.
  • De diaken wordt volwaardig als ambtsdrager lid van de ambtelijke vergaderingen. De scheiding tussen het bestuur door de kerkenraad en het beheer van de kerkelijke goederen wordt (behoudens de mogelijkheid van zogenaamd vrij beheer) in principe beëindigd, terwijl de kerkvoogden tegelijk ouderling kunnen (later zelfs in meerderheid moeten) zijn.
  • In gemeenten in grote steden vindt decentralisatie plaats, door de wijkgemeenten als uitgangspunt te nemen van toedeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Hoewel ik persoonlijk geen ervaring heb met kiesverenigingen, zie ik hierover in de annalen van mijn Dordtse afdeling van de Gereformeerde Bond dermate weinig verheffende c.q. ongeestelijke uitingen, dat het vervallen van het systeem van kiesverenigingen ter verkiezing van ambtsdragers en predikanten mij een pluspunt lijkt.

Verschillen tussen 1951 en 2004
Qua opzet en inhoud vertoont de protestantse kerkorde (PKO 2004) veel overeenkomsten met de kerkorde van 1951. Zozeer dat ik de toelichtingen en de jurisprudentie op basis van de oude kerkorde soms nog kan gebruiken bij de toepassing van de huidige kerkordetekst. De kerkorde heeft echter, zeker sinds 1951, niet in de eerste plaats een administratieve of organisatorische functie, maar vervult bovenal een geestelijke rol bij de wijze waarop Christus, door Zijn Geest en Woord, de gemeente vergadert, beschermt en onderhoudt (Heidelbergse Catechismus, Zondag 21).

Juist daarom luisterde het rond de kerkvereniging zo nauw en kon een gedeelte van de voormalige Nederlandse Hervormde Kerk daarin niet mee in 2004. Bij zijn bespreking van prof. Miskottes appreciatie van prof. J.H. Gunning jr. memoreerde ds. Lam in De Waarheidsvriend 18 van dit jaar dat Gunning de vraag naar de rechte kerkorde een geloofsvraag vindt en dat hij spreekt over “de zedelijke waanzin van een kerk waarin belijdenis en ontkenning van de kern gelijke rechten kunnen laten gelden”. Goed dus dat we sinds 1951 een “belijdende” kerkorde kennen, maar begrijpelijk dat velen, waaronder ook ikzelf, destijds bezwaar aantekenden tegen de combinatie van op gespannen voet met elkaar staande belijdenissen en geschriften in de grondleggende, romeinse artikelen van de kerkorde van 2004.

Terzijde roep ik in herinnering dat de synodeleden met een Gereformeerde Bondsachtergrond in 1951 om vergelijkbare redenen tegen stemden, ook al had GB-voorzitter prof. J. Severijn meegewerkt. Zij kozen liever voor “het houden van een goed geweten” dan akkoord te gaan met een kerkorde met onvoldoende duidelijkheid op het punt van de belijdenis en daaraan gerelateerde leertucht.

Op tal van praktische punten geeft de kerkorde van de PKN echter naar mijn ervaring zowel een duidelijker richting, als meer praktische invullingsruimte dan die van de N.H. Kerk uit 1951. Via trajecten als ‘Lichter op pad’ wordt inmiddels veel extra invullingsruimte op plaatselijk niveau geboden. Zo veel, dat de kans op discrepantie ten opzichte van de drie “formulieren van eenheid” noopt tot herijking van Van den Heuvels positieve oordeel over het samenbindend karakter van de kerkorde van 1951?

Oproep voor de praktijk
Tot slot van deze persoonlijk gekleurde terugblik op de kerkorde van 1951, enkele aandachtspunten om als gemeentelid en in kerkenraadsverband over na te denken.

  1. Ordelijk duurt het langst!

Kortstondige (charismatische) bewegingen of orthodoxe afgescheiden gemeenten, op zichzelf staand, zonder een belijnde belijdende leer en zonder adequate correctiemechanismen bij ontsporingen, lopen een verhoogd risico om met de beste bedoelingen af te wijken van de Bijbelse ordelijke lijn. Ze worden vaak een tijdlang geleid door een dominante en daarna van zijn voetstuk vallende of anderszins vertrekkende voorganger, zonder voldoende corrigerende invloed van de ambten in een kerkenraad, meerdere vergaderingen en onafhankelijke colleges.

  1. Heeft ordelijk z’n langste tijd gehad?

De kerkordelijke structuren binnen onze kerk worden op veel plaatsen in het land als te zwaar ervaren. Via operaties als ‘Lichter op pad’ wordt onnodige ballast weggenomen. Een herdenking van de geboortedatum van de kerkorde van 1951 is een goed moment om de vraag te stellen hoeveel water er bij de wijn gedaan kan worden zonder dat het de positieve eigenschappen van wijn verliest. Welke conclusies verbinden we eraan indien jaar in, jaar uit, ambten onvervuld blijven, geen (deeltijd-)predikant kan worden beroepen, niet in de meerdere vergaderingen wordt geparticipeerd? Zetten we de tering maar naar de nering of is er aanleiding voor een extra (gebeds-)oproep in de gemeenten?

  1. Bid en werk

De gemeente mag nooit zelfgenoegzaam of zorgeloos op haar (ingebeelde) lauweren rusten

(“bij ons gaat het nog goed!”). Evenmin mag zij berusten in een negatieve spiraal (“nee, allang geen jeugd meer in de dienst en hoelang de drie zeventigplussers van de kerkenraad het nog uithouden…”). Het triomferende Hoofd van de kerk wijst, liefdevol vermanend, in Zijn brieven aan de zeven gemeenten een andere weg. Laten we – naast (en ook in) eredienst, pastoraat en diaconaat – veel aandacht schenken aan opvoeding in het kerkelijk denken, communiceren over grenzen van de eigen wijkgemeente of denominatie heen, participeren in de ‘meerdere’ vergaderingen en colleges. En tegelijk het in de eigen traditie opgedolven goud niet laten verstoffen, maar daarin anderen laten delen, actief meedoen aan het considereren over kerkordewijzigingen, voorbede doen voor de classis en synode.

Zou dan, onder de inwachting van de leiding van Gods Geest, niet zelfs wat goeds kunnen voortkomen uit het door de opstellers van de kerkorde van 1951 en 2004 beoogde gesprek vanuit de verschillende belijdende tradities binnen onze ene Protestantse Kerk in Nederland en daarbuiten?

Mr. Max van der Klooster
Mr. Max van der Klooster

is preses van de algemene kerkenraad van de hervormde gemeente te Dordrecht, voorzitter van de Dordtse afdeling van de Gereformeerde Bond, en lid van het generale college voor de kerkorde.