
Het was een bijzonder gezicht in de huiskamer van ons nieuwe Huis van Zending: in zeven groepjes waren buitenlandse gasten, afkomstig uit alle regio’s van de wereldkerk, in geanimeerd gesprek met leden van de raad van toezicht van de GZB. Onze partners bevroegen hen diepgaand over de situatie van de kerk in Nederland.
Het raakte me omdat ik nu, een paar weken na de opening, precies zag gebeuren wat we voor ogen hebben met het Huis van Zending: gastvrijheid over grenzen heen, geestelijk gesprek, gezamenlijk gebed. En ik realiseerde me ineens hoe uniek het was om alle continenten op één plek bij elkaar te hebben.
Oefenen in ontvangen
Bijzonder was ook dat we ons als Nederlanders oefenden in kwetsbaarheid en ontvangen. Dat zijn we niet zo gewend. Als we op pad gaan in de zending, is dat toch vaak allereerst omdat we denken dat we iets te bieden hebben. We kijken hoe we anderen kunnen helpen om missionair te zijn in hun context. We informeren hoe het gaat met de projecten die we steunen. We vragen waarvoor we kunnen bidden. Onze eigen zorgen en worstelingen als kerk in Nederland komen maar heel weinig, of alleen terloops aan bod.

