Het is al ruim tien jaar geleden dat ik als meester de plekken van de leerlingen in mijn klaslokaal veranderde. Een dag later vroeg de moeder van Charlotte een gesprek aan. Ze wilde niet dat haar dochter naast Mirthe in de klas zou zitten. Charlotte had thuis aangegeven het niet prettig te vinden naast Mirthe.
Deze situatie is niet uniek en komt nog altijd voor. Studenten delen tijdens colleges over oudergesprekken voorbeelden van ouders die vooral denken vanuit het individuele belang en gevoel van hun eigen kind. Dit sluit aan op een tendens. De Onderwijsraad beschrijft dat jongeren in opvoeding en onderwijs steeds meer door een individualistische therapiebril worden bekeken. Dit valt te verklaren door wat de Amerikaanse onderzoeker Robert D. Putnam waarneemt: we zitten op dit moment op het toppunt van ik-gerichtheid. Deze waarneming sluit Putnam echter niet somber af. De westerse geschiedenis heeft een pendelbeweging laten zien: op een periode van ik-gerichtheid volgt een beweging richting meer wij-gerichtheid.
Nieuwe beweging
Onderwijs is een plek waar deze nieuwe beweging het eerst zichtbaar wordt. Initiatieven binnen het onderwijs laten dit zien. Zo is een van de kernwaarden binnen het nieuwe burgerschapsonderwijs ‘solidariteit’. Aan het onderwijs wordt in de nieuwe burgerschapswet gevraagd werk te maken van sociale cohesie. Leraren ontplooien binnen hun school en klas activiteiten om dit te doen.
Binnenkort is het de week van het gezin. Dit jaar heeft deze week het thema ‘Voor elkaar’. Hoe kunnen het onderwijs, gezinnen en de kerk een positieve beweging tegen een doorgeslagen ik-gerichtheid teweegbrengen?
Wij-gerichtheid stimuleren
Zowel kerken als scholen worden gezien als plekken waar de verbondenheid wordt versterkt. Wanneer kerken en scholen samenwerken, ontstaat er een sterke gemeenschap van mensen die elkaar ondersteunen en helpen. Dit komt de gemeenschapszin ten goede. Onderwijswetenschappelijk onderzoek laat zelfs zien dat een betrokken gemeenschap van ouders die elkaar kennen en hun kinderen en de andere kinderen helpen, positief bijdraagt aan de ontwikkeling van de kinderen. Kinderen die op een school zitten waar de school en kerk een gemeenschap vormen, ervaren wat solidariteit daadwerkelijk inhoudt. Samen worden initiatieven genomen om in de klas, de wijk, en verderop elkaar te helpen. Dit begint in de klas door zowel ervaring op te doen in het helpen als in het geholpen worden. Dit verbreedt zich ook naar de wijk. Een mooi initiatief nam de school van mijn kinderen. Mijn dochter en haar klasgenoten gingen pannenkoeken bakken en samen opeten met de bewoners van een woonzorglocatie voor bewoners met dementie. Deze locatie staat naast de school. De verbinding ging voor een deel van de bewoners en de kinderen verder dan een eenmalige activiteit. Ook tijdens de pauzes van de school zijn er kleine spontane contactmomenten tussen sommige kinderen op het schoolplein en enkele bewoners vanuit hun tuin.
Verbondenheid en verantwoordelijkheid
In zijn bijdrage over kansen voor burgerschap in De Waarheidsvriend van 5 februari legt dr. Richard Toes helder uit wat solidariteit vraagt in het christelijk onderwijs: het is moreel en relationeel verankerd. Verbondenheid tussen leerlingen en leraren binnen een gemeenschap vloeit voort uit verantwoordelijkheid door wat Jezus zegt: “U zult uw naaste liefhebben als uzelf.” Wanneer aan Jezus wordt gevraagd wie de naaste is, dan komt Hij met de verrassende gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. De naaste blijkt hier niet degene te zijn die sterk op jezelf lijkt. Het blijkt iemand te zijn met een andere identiteit die schuurt tegen jouw identiteit.
Terug naar het voorbeeld aan het begin. Wanneer kinderen zelf hun plek in de klas mogen kiezen, dan kiezen ze in eerste instantie klasgenoten die zo veel mogelijk op hen lijken. De natuurlijke neiging van mensen is om vooral gemeenschap te ervaren met mensen die op je lijken.
Momenten van ontmoeting en samenwerking helpen om het gevoel van verbondenheid bij verschillen te vergroten. Voorwaardelijk is dan dat er sprake is van een gezamenlijk doel. De kerk en de school (leerlingen en leerkrachten) kunnen samenwerken, bijvoorbeeld door het samen organiseren en vieren van Gezin-School-Kerkdiensten.
De natuurlijke neiging van mensen is om vooral gemeenschap te ervaren met mensen die op je lijken
Ik en wij
Binnen het christelijk onderwijs is het belangrijk om de kerk en de school niet als oplossing te zien voor een doorgeslagen ik-gerichtheid. Er bestaat het risico dat door een tegenbeweging doorgeslagen wordt in het alleen gericht raken op het wij. In de samenvatting van de wet worden individu en gemeenschap niet uit elkaar gespeeld. Jezus roept in de samenvatting van de wet op om de naaste lief te hebben als jezelf. We zijn uniek geschapen en tegelijk geschapen om samen te leven en God te zoeken met anderen. In het boek Verborgen omgang verwoordt de theoloog Bonhoeffer dit als volgt: “Wie niet alleen kan zijn, moet oppassen voor de gemeenschap. Wie niet in de gemeenschap leeft, moet oppassen voor het alleen zijn.”
Gebed als oefenplaats
Gemeenschapszin groeit waar ik en wij samenkomen. Dit kan worden ervaren als verrijkend, maar wordt soms ook ervaren als schurend. Je kunt deze schurende momenten uit de weg gaan, maar doen we daarmee onze naaste recht?
Bonhoeffer helpt met zijn onderscheid tussen ‘psychologische’ gemeenschap en ‘geestelijke’ gemeenschap begrijpen wat een gemeenschap inhoudt. In het eerste hoofdstuk van het boek Verborgen omgang legt hij uit wat dit betekent. Een ‘psychologische’ gemeenschap is gericht op het vervullen van de psychologische behoefte aan gemeenschap. Bij een geestelijke gemeenschap horen we bij elkaar door en in Christus. De gemeenschap is een gave van God. Bonhoeffer verwoordt het als volgt: “In de geestelijke gemeenschap wordt alle macht, eer en heerschappij aan de Heilige Geest toegekend, maar in de psychische gemeenschap worden machts- en invloedssferen van persoonlijke aard nagestreefd en in stand gehouden…”
Therapiebril
Wij ademen de geest van onze tijd in. Ook als we naar onze kerkelijke gemeenten kijken. Hierdoor kan de gemeente ook door een individualistische therapiebril worden bekeken en worden activiteiten in de gemeente georganiseerd om een ‘psychologische’ gemeenschap te vormen. De gemeenteleden moeten ervoor zorgen dat ik mij fijn voel. De kritische blik van Bonhoeffer is dan actueel: richten we ons met elkaar op de ‘geestelijke’ gemeenschap?
Hoe kunnen we het met elkaar uithouden in de kerk én in de klas als het schuurt? Juist als we afstand of irritatie ervaren tot de naaste? Of, meer dan dat: hoe kunnen we juist dan solidair zijn? Bonhoeffer komt met het advies om juist dan te oefenen in dankbaarheid. Dit is een aanvulling op de eerder beschreven christelijke visie op solidariteit, gebaseerd op relatie en verantwoordelijkheid. Dit kan concreet door te adviseren om in een situatie van irritatie binnen de gemeenschap tijdens het persoonlijk gebed God te danken dat die persoon in je leven is gekomen als gift. Door zo te oefenen in gebed ga je anders kijken naar de ander. Het oefenen in dankbaarheid is daarbij niet een nieuwe wet. We móéten niet dankbaar zijn. We oefenen in dankbaarheid. Gebed en dankbaarheid zijn door genade met elkaar verbonden. Niet voor niets besteedt de catechismus uitgebreid aandacht aan het gebed in het gedeelte van de dankbaarheid.
Wat te doen?
Terug naar Charlotte en haar moeder. Wat is een wijze reactie als leraar? Mirthe is de naaste van Charlotte. Ze zijn als klasgenoten aan elkaar geschonken, ook al zouden ze elkaar niet hebben uitgekozen. Een periode naast elkaar biedt een mooie kans om te oefenen in wat solidariteit betekent. Keuzes mogen kritisch tegen het licht worden gehouden: is de plek naast Mirthe voor Charlotte een passende plek om te oefenen in solidariteit? Het gesprek met de moeder biedt een mooie kans om de verbinding tussen school en gezin te versterken. De moeder van Charlotte kent haar kind. Zijn er andere vormen mogelijk waarbij solidariteit kan groeien zonder naast elkaar te hoeven zitten?
Mogelijk ligt de vraag over naast wie ons kind zit ver achter ons, of is die vraag nooit gesteld. Ook dan kunnen we veel betekenen voor het versterken van de verbondenheid tussen en in de school en kerk. In lijn met het advies van Bonhoeffer betekent dit:
Voor elkaar danken als gezinnen, onderwijs en kerk. We zijn aan elkaar gegeven. Het danken is daarbij niet een snelle oplossing voor wanneer verschillen schuren. In vrijheid zoeken naar de weg die te gaan is met die ander die in het gezin, de klas of in de gemeente aan je gegeven is. Het kan daarbij troostend zijn om te bedenken dat jij de kerk niet hebt gekozen omdat hij zo mooi aansluit bij je individuele behoeften, maar dat het de kerk is die aan jou gegeven is. Mogelijk was je er al vroeg bij in de gemeente waar je nu zit. Je werd al verbonden met de gemeente tijdens je doop.
Voor elkaar en met elkaar bidden als gezinnen, onderwijs en kerk. Ik zal nooit vergeten hoe ik mij eens heel bewust verbonden voelde met de gemeente. De dag voordat ik een schooljaar met mijn nieuwe klas opstartte, werd er in de kerk voor de kinderen en leraren gebeden. Ik werd mij bewust: ik hoef dit niet alleen te doen. We mogen God vragen om wijsheid en hulp door Zijn Geest. Hij geeft een biddende gemeente die om het onderwijs heen staat.
In de samenvatting van de wet worden individu en gemeenschap niet uit elkaar gespeeld