
Drie ambtsdragers, drie verhalen. De één staat aan het begin van zijn ambtelijke weg, de ander kijkt terug op een kwarteeuw ervaring. Hun dagelijkse werkzaamheden verschillen, net als de uitdagingen die ze tegenkomen. Toch delen ze dezelfde roeping: dienstbaar zijn aan God en aan de gemeente, midden in de drukte van alledag. Een portret van diaken Niek-Willem Oskam.

PERSONALIA
Naam: Niek-Willem Oskam
Leeftijd: 58 jaar
Woonplaats: Ede
Gezinssituatie: gehuwd, 3 kinderen
Kerkelijke gemeente: hervormde gemeente Ede
Huidig ambt: diaken
Jaren in het ambt: 25 jaar (in totaal)
“Nadat ik ouderling en ouderling-kerkrentmeester ben geweest, mag ik nu het ambt van diaken vervullen. Alles bij elkaar opgeteld mag ik inmiddels, met twee tussenpozen van enkele jaren, terugkijken op een kwarteeuw als ambtsdrager. Toen het ambt van ouderling dertig jaar geleden op mijn pad kwam, gebeurde dat toch vrij plotseling en moest ik er best nog wel even over nadenken. Ik dacht: ik kan het niet. Maar ik geloofde ook: Hij die roept zal mij kracht geven. In alle jaren die volgden, ben ik mij er steeds meer van bewust geraakt dat ik in alles van onze Schepper afhankelijk ben. Ik blijf me erover verwonderen dat Hij ons mensen wil gebruiken.
Toen ik met het ambtswerk begon, was de tijd anders dan nu. Steeds meer mensen denken tegenwoordig dat ze ook wel zonder de kerk kunnen geloven. Die ontwikkeling merkte ik al als ouderling: op den duur werd het voor mij steeds lastiger om een afspraak te maken. Ik merk ook een verschil in hoe ambtsdragers met gemeenteleden omgaan. Meer dan vroeger proberen we nu tussen de mensen te staan en samen met hen op te lopen. We durven ook meer te delen, bijvoorbeeld zaken die we zelf ook lastig vinden. Ik denk dat ik als ambtsdrager meer de dialoog aanga dan vroeger.
Wat mij in elk ambt het meest heeft aangesproken, is het persoonlijk optrekken met mensen. Als ouderling waren de gesprekken met gemeenteleden in mijn wijk voor mij heel waardevol. Met elkaar spreken over wat de Heere Jezus voor hen betekent, meeleven in mooie en moeilijke tijden, en samen zoeken naar antwoorden op de vragen die het leven met zich meebrengt. Daarbij besef je ook steeds hoe beperkt je zelf bent. Je hoeft niet overal een antwoord op te hebben; juist het erkennen dat wij mensen zijn, maakt zulke ontmoetingen oprecht.
Mijn eerste ambt was dat van ouderling-kerkrentmeester. Daar lag de verantwoordelijkheid vooral bij de stoffelijke belangen van de gemeente. Het gaf mij voldoening om eraan bij te dragen dat de kerkdiensten doorgang konden vinden en dat de gemeente de mogelijkheid had om een nieuwe herder en leraar te beroepen.
Nu ik diaken ben, ervaar ik opnieuw hoe betekenisvol het is om er voor mensen te mogen zijn. Wanneer mensen door ziekte, verlies of andere ingrijpende omstandigheden tijdelijk niet verder kunnen, is het mooi dat zij bijvoorbeeld terechtkunnen in De Herberg, het Pastoraal Diaconaal Centrum, of ondersteuning kunnen ontvangen vanuit de diaconie. Dat ik daar als diaken een bijdrage aan mag leveren, ervaar ik als een waardevolle en dankbare taak.
Dat ik al zo lang ambtsdrager mag zijn, heeft alles te maken met het besef dat God ons leven regeert. Hij gaat met ons mee, ook tijdens de huisbezoeken. Wij mogen het Evangelie doorgeven, maar vervolgens mogen we het ook aan Hem overlaten. Dat heb ik in de loop van de jaren moeten leren: niet alles zelf te willen dragen of oplossen, maar het in de handen van mijn Schepper te leggen en Zijn weg te aanvaarden. Soms denk ik weleens: als mensen zich omkeren en tot bekering komen, dan is dat niet dankzij ons, maar ondanks ons. Dat houdt je klein en laat zien dat het uiteindelijk Gods werk is.
Als ik een onlangs verkozen ambtsdrager een advies zou mogen meegeven: doe het werk dat je in de gemeente hebt ontvangen in afhankelijkheid van de Heere, maar laat het niet je hele leven beheersen. Neem de tijd om dingen te overwegen en te doordenken. En als je ergens geen antwoord op hebt of merkt dat iets je macht te boven gaat, leg het dan in Zijn handen. Vertrouw erop dat Hij verder leidt en zorgt. Hij zal het maken.”

