Waar bent u naar op zoek?

column

Onderworpen in hoop

11-08-2020

Het kan je soms zomaar ineens aanvliegen: de realiteit van Romeinen 8:20. Die onvrijwillige zinloosheid waaraan de schepping onderworpen is. Je ziet het soms in heel kleine dingen.

In dat kale vogeltje dat uit zijn nestje is gevallen en dat dood op de grond ligt. In een geknakte bloem of in een zwerfhond met zweren en een lamme poot. Je ziet het in de tranen van je kind als er een kunstwerkje waar ze hard aan gewerkt had aan diggelen op de grond ligt of wanneer je een zwerver aan de kant van de weg ziet zitten.

En dan hebben we het nog niet eens over de mensen die hier in krotjes op de vuilnisbelt wonen, over de opium die hier hele dorpen in zijn greep houdt en over de grote gevolgen van de coronacrisis op dit land, dat leeft van toerisme. Er zouden bibliotheken volgeschreven kunnen worden met verhalen over zuchten en zinloosheid. 

Ja heel de schepping zucht en is gezamenlijk in barensnood (Rom.8:22).

Ik weet letterlijk hoe dat aanvoelt, die barensnood. Onafwendbaar, hevig, overweldigend en pijnlijk. ‘Je bent er bijna’, zegt de verloskundige. Maar zelf merk je daar niet veel van. Zo intens is dat hele gebeuren. 

Daar zitten we nu met zijn allen in. In intens, hevig, onomkeerbaar lijden.

Maar laat nou juist die vergelijking met barensnood mij hoop geven. Want uit ervaring weet ik nu: hoe intenser de pijn, hoe dichter bij de verlossing… die vrijheid ‘van de heerlijkheid van de kinderen van God’. God heeft de schepping namelijk niet zomaar onderworpen aan zinloosheid, nee, Hij heeft het onderworpen in hoop. Hoop die je niet ziet, maar die wel vast en zeker is. 

En door tranen heen zie je dan toch ook weer glimpen van de heerlijkheid die ons te wachten staat. Je ziet het in mensen die vrijkomen uit hun verslaving, in voedsel dat uitgedeeld wordt, in de lach van een kind en in het kwispelen van een hond. Het zijn allemaal bemoedigingen die ons helpen om te verwachten met volharding. Want hoe pijnlijk het lijden ook is, die verloskundige heeft tóch gelijk. ‘We zijn er bijna…’ 

Marieke den Butter-Kommers