Waar bent u naar op zoek?

column

Vervreemding

31-05-2017

‘Hoe ver is het nog?’ Achter me roepen leerlingen dat het te snel gaat. Zo’n vijftien jaar geleden ervoer ik hetzelfde toen ik mijn docent Latijn probeerde bij te houden bij de beklimming van de toren van de Dom van Keulen.

Meer dan vijfhonderd treden moeten we omhoog via een nauwe wenteltrap. Beneden in de kerk bestuderen we als opdracht enkele glas-in-loodramen. De leerlingen moeten de afgebeelde gebeurtenissen en personen zien thuis te brengen. Dat is voor mijn bijbelvaste meidengroep niet moeilijk. De aanbidding door de wijzen uit het Oosten, de graflegging en Pinksteren worden eenvoudig herkend. Onder elke gebeurtenis staan vier personen afgebeeld. Onder de wijzen uit het Oosten de vier grote profeten uit het Oude Testament. Bij de graflegging de vier evangelisten uit het Nieuwe Testament. 

Veel herkenning dus, maar aan de andere kant veel vervreemding. ‘Dat zou ik dus echt nooit doen,’ zegt een meisje als ze de vele kaarsjes ziet branden. ‘Ik zou me hier op zondag ook niet thuis voelen. Veel te groot.’ De grote gouden schrijn met daarin, volgens de overlevering, de relieken van de wijzen uit het Oosten, wekt de meeste bevreemding. Het lijkt alsof de kerk voor de relieken gebouwd is en niet voor God. 

Jammer genoeg is het niet eenvoudig om de opdracht helemaal tot een goed einde te brengen. De mannen die bij het pinksterfeest worden afgebeeld, zijn voor de leerlingen lastig thuis te brengen. Het zijn de vier Latijnse kerkvaders: Ambrosius, Augustinus, Hiëronymus en Gregorius de Grote. Augustinus kennen de meeste leerlingen wel. De andere mannen zijn onbekend.

Voor een katholiek is de verbinding tussen Pinksteren en de kerkvaders niet meer dan logisch. Door de Geest van Pinksteren werd de Kerk gebouwd. Dat mijn leerlingen als jonge nazaten van de Reformatie de kerkvaders in de categorie bevreemding plaatsen, is daarom een tekort. Juist van de Vroege Kerk kunnen ze veel leren over de inhoud van het christelijk geloof.