Waar bent u naar op zoek?

Briefwisseling Israël (6)

“Voor hen zijn de beloften”

10-09-2026

Met dankbaarheid en instemming lees ik wat je in je laatste brief schrijft over wat God “op een ongekende manier” in het zenden van Zijn Zoon heeft gedaan. Je noemt Hem “de grote Zoon van Israël” en je verwondert je over de “grote en rijke uitwerking” van Gods omzien naar Israël, wereldwijd en voor alle volken. Hierin verblijden we ons samen.

Zonder dat ik jou iets in de mond wil leggen, zoek ik wel naar meer duidelijkheid. Ik merk dat jij wilt vasthouden aan Gods blijvende trouw aan Israël, maar tegelijk zeg je: “Ik sta er wat dubbel in.” En dan word je voorzichtig en in mijn ogen té terughoudend als het gaat om wat dat betekent voor Israël als volk, bestaande uit mensen van vlees en bloed, door de tijd heen en ook vandaag de dag. Want daar hebben we het over: geen theoretische beschouwing over het thema ‘Israël’, maar over Gods verkiezing en verbondenheid met ménsen, die naar Gods belofte een plek ontvingen om te mogen wonen, toen en nu. Vergeet niet: Jezus Zélf was (en bleef) een Jood en woonde dáár, in het beloofde land.

Het springende punt in onze briefwisseling heeft te maken met iets wat we al meerdere keren hebben aangestipt, namelijk de betekenis van ‘vervulling in Christus’. Jij bevraagt mij daar opnieuw op in je laatste brief, waarbij je toespitst op de landbelofte. Wanneer het hierover gaat, zie ik in het Nieuwe Testament níét eenzelfde beweging als bij de tempel-, priester- en offerdienst. Dat de landbelofte óók en uiteindelijk volkomen vervulling ontvangt in ‘de nieuwe hemel en de nieuwe aarde’, ontken ik niet. Maar vervulling betekent geen opheffing of vergeestelijking van wat concreet aards betekenis heeft. Weliswaar duidt de Hebreeënschrijver het geloof van Abraham dusdanig dat hij spreekt over ‘een verlangen naar een hemels vaderland’, maar dat doet niets af aan het gegeven dat God voor (het nageslacht van) Abraham óók het concrete aardse Kanaän voor ogen had. Ik zie niet in waarom dat vandaag de dag anders zou zijn. Het ‘ja en amen’ van Gods beloften in Christus Jezus (2 Kor. 1:20) behelst een bekrachtiging, geen opheffing van wat God onder het Oude Verbond aan Zijn volk belooft. ‘Voor hen zijn de beloften’ (Rom. 9:4). In mijn optiek perk jij met ‘vervulling in Christus’ het oudtestamentische spreken te veel in.

Dit artikel gratis verder lezen?
Schrijf u in voor onze nieuwsbrief en lees de volledige tekst van dit artikel.