Het is een vertrouwd gezicht: ouderlingen die voor in de kerk zitten. Een van hen brengt de predikant naar de kansel en geeft een hand. Diakenen gaan rond voor de collecte. Welke plaats en betekenis hebben onze ambtsdragers? Ik zie hun werk in het licht van Christus en de Heilige Geest.
Om de betekenis van de ambtsdragers goed te begrijpen, moeten we letten op de Heere Jezus Christus. Sinds hemelvaart heeft Hij de ereplaats aan Gods rechterhand gekregen en is Hij hoofd van Zijn gemeente geworden. De term ‘hoofd’ (Ef. 1:22; Kol. 1:18) betekent dat Hij leidinggeeft en in het middelpunt staat. Zoals een hoofd de leiding heeft over een lichaam om het goed te laten functioneren, zo heeft Christus de leiding over Zijn gemeente om haar te zegenen. Een hoofd is ook het middelpunt, waarop alle lichaamsdelen zijn gericht. Zo staat Christus centraal in de christelijke gemeente, want het gaat om Zijn persoon en werk, om Zijn liefde en trouw, om Zijn gebod en belofte, om geloof in Hem en gehoorzaamheid aan Hem. Als ‘hoofd’ leidt Christus de Zijnen op twee manieren: via bemoediging en troost, maar ook via vermaning.
Woord en ambtsdragers
Hoe geeft Christus geestelijke leiding? Dit gebeurt niet rechtstreeks, maar door Zijn Woord, door het Evangelie. Op deze manier is de opengeslagen bijbel op de kansel in de kerk veelzeggend. Er is nog een tweede antwoord op deze vraag. Christus geeft leiding via ambtsdragers als Zijn vertegenwoordigers. Bijzonder is het dat Hij mensen roept om schakels te zijn tussen Hem en Zijn gemeente. Ambtsdragers nemen dan ook een belangrijke plaats in als bemiddelaars van Zijn heil. Hij neemt hen dus in Zijn dienst om Zijn heil bij de gemeente te brengen en haar bij dat heil te bewaren. Dat doen ze door met het Woord in de gemeente te dienen.
Bijbelse voorbeelden
In de Bijbel komen we verschillende ambtsdragers tegen. Allereerst de twaalf apostelen als grondleggers van de kerk. Petrus, Johannes en de anderen zijn ooggetuigen geweest van Christus en daarom verkondigen ze de grote werken van God. We komen ook de ‘zeven’ tegen, van wie Stefanus en Filippus de bekendste zijn (Hand. 6:3-15; 7:54-60; 8:1-8, 26-40). Ze lijken op diakenen, maar ook zij zijn bezig met de verkondiging van het Evangelie. Verder lezen we over oudsten of ouderlingen: een veel bredere kring van ooggetuigen, die de leiding hebben over de jonge christelijke gemeente in Jeruzalem (Hand. 15:2, 4, 6; 21:18).
Een tweede categorie oudsten of ouderlingen is verbonden aan plaatselijke gemeenten in de heidenwereld. Zij zijn geroepen om deze gemeenten geestelijk te leiden en op te bouwen via het Woord. Ze worden ook ‘opzieners’ of ‘opzichters’ genoemd, terwijl ze in Efeze 4:11 ter sprake komen als ‘herders en leraars’. De naam ‘leraars’ wijst op hun roeping om onderwijs uit het Woord te geven en ‘herders’ wil zeggen dat ze aan een concrete gemeente zijn verbonden. Sommigen van deze ‘herders en leraars’ hebben gaven om openbaar leiding te geven uit het Woord. Bij hen denken we aan de predikanten.
"*" geeft vereiste velden aan