In deze rubriek schrijven ds. J.J. ten Brinke en ds. M.K. de Wilde elkaar de komende weken brieven over de plaats, de betekenis en de toekomst van Israël.
Beste Jonathan,
Bedankt weer voor je brief. Genoeg waardevolle gedachten om over door te spreken! Ik begin maar meteen met de vraag waarmee je eindigt. Zie ik nog een eigen plek voor Israël in het heilsplan van God? Daarmee raak je, denk ik, aan de kern van ons gesprek. We willen allebei twee lijnen vasthouden. Enerzijds de vervulling in Christus, Die het centrum is van de Schrift en het heilshandelen van God. Anderzijds willen we Gods weg met Israël erkennen, een volk waaraan Hij Zich op een unieke manier heeft verbonden.
Die twee lijnen hebben echter alles met elkaar te maken. Wat betekent de vervulling in Christus voor die eigen plek van Israël? Eigenlijk gaat het hier om de verhouding tussen het Oude en het Nieuwe Testament, waar christenen al vanaf de tijd van het Nieuwe Testament mee worstelen en van mening over verschillen.
Ik heb de indruk dat we die complexe verhouding tussen het Oude en Nieuwe Testament in het gesprek over Israël vaak niet genoeg recht doen, waardoor we zomaar langs elkaar heen praten en elkaar gemakkelijk ‘framen’. Of de vragen achter de vragen niet stellen. Zouden we het bijvoorbeeld niet veel vaker moeten hebben over de manier waarop we de Bijbel lezen: op een gereformeerde, verbondsmatige manier, of meer dispensationalistisch (een manier van Bijbellezen die een scherp onderscheid maakt tussen Gods weg met Israël en Gods weg met heidenen), zoals veel evangelische christenen?
Ik zie hier twee gevaren. Je kunt op zo’n manier over de vervulling in Christus spreken dat je te weinig oog hebt voor de eigen plek van Israël. Maar je kunt ook op zo’n manier over de eigen plek van Israël spreken dat je tekortdoet aan de vervulling in Christus of die in ieder geval te weinig laat doorwerken.
Hoe zie ik dan die eigen plek voor Israël? In de eerste plaats blijven de Joden ‘wat de verkiezing betreft geliefden vanwege de vaderen’ (Rom. 11:28). Gods verbond met Israël blijft van kracht. Zijn bewaring van Israël, de eeuwen door, is daar het bewijs van. Meer nog, elke Jood die tot geloof in de Heere Jezus komt, is daar het bewijs van. Romeinen 11 geeft mij de hoop dat God nog grotere dingen gaat doen onder Israël. Kortom, het volk Israël is voor mij een teken van de verbondstrouw van God. Van die verbondstrouw van God moeten we het allemaal hebben.
In de tweede plaats zijn we als christenen op een bijzondere manier verbonden met de Schriften en de geschiedenis van Israël. Door de komst van Zijn Zoon en het zenden van Zijn Geest heeft God de deur naar de heidenen wijd opengezet en mogen wij in die schatten delen, zoals Hij het hele Oude Testament door al had beloofd. Door het geloof is Abraham onze vader (Rom. 4), zijn de Israëlieten ‘onze vaderen’ (1 Kor. 10:1) en horen we bij het ‘heilig volk’ dat God Zich tot Zijn eigendom maakte (1 Petr. 2:9). Dat geeft een hechte en onopgeefbare band met onze oudste broer.
Tegelijkertijd mogen we die eigen plek ook niet te groot maken. In Christus is noch Jood, noch heiden (Gal. 3:28). In het licht van de heilsgeschiedenis en de concrete weg die God gegaan is om de wereld te verlossen, is een gelovige Jood mijn óúdste broer. In het licht van de verlossing zelf en de vervulling in Christus is hij mijn broer en vallen die verschillen weg.
Dat bedoelde ik toen ik schreef dat Gods relatie met Israël ook opgenomen is in een groter geheel. Dat gaat niet over de relatie tussen Jood en heiden (dan geldt inderdaad dat wij heidenen ‘ingelijfd’ worden), maar dat gaat over Gods ultieme doel: dat Christus verheerlijkt wordt als Zaligmaker van zondaren. Dat is het perspectief van onze belijdenissen. Daarover later meer.
Dat brengt me bij een vraag waar we het ook over moeten hebben, de landbelofte. Hoe kijk jij daartegen aan? Zie jij de vorming van de staat Israël in 1948 als een concrete vervulling van Gods beloften? En hoe zwaar weegt dat thema voor jou?
In Christus verbonden,
Marco