blog

Het geheim van de godsvrucht

Concreet voor God leven

Dr. R.W. de Koeijer
Door: Dr. R.W. de Koeijer
Geloofsleer
03-08-2021

De term ‘godsvrucht’ wijst erop dat het geloofsleven opkomt uit Gods genade. Het woord ‘vrucht’ doet ons immers denken aan de vrucht van de Heilige Geest. Godsvrucht heeft te maken met het hart van de gelovige, maar niet minder met de buitenkant van zijn christenleven. Ze krijgt een praktische en veelkleurige uitwerking.

We ontdekten in het vorige artikel dat het woord ‘godsvrucht’ bijna uitsluitend voorkomt in de pastorale brieven van het Nieuwe Testament en dan met name in Paulus’ eerste brief aan Timotheüs. We zagen ook dat godsvrucht de notie kent van eerbied of ontzag voor God. Omdat ze rust op de gezonde christelijke leer, wordt regelmatig gewaarschuwd tegen de dwaalleer. Deze leidt immers juist tot een verkeerde levenswandel.

Toewijding

De omschrijving ‘vrucht’ doet ons denken aan wat Paulus leert over de vrucht van de Heilige Geest (Gal.5:22). Hij schrijft aan Timotheüs over ‘de Heilige Geest, Die in ons woont’ (2 Tim.1:14). De aanduiding ‘vrucht’ geeft dus aan dat het christenleven geen verdienstelijk werk van gelovigen is of een terugbetaling, maar het dankbare geloofsantwoord op Gods heil. In de Romeinse godsdienst van die dagen, waarin het woord godsvrucht (pietas) ook betekenis had, lagen de dingen beslissend anders. Daar speelde immers een ander principe de hoofdrol: ‘Ik geef, opdat u geeft’. Het hield in dat men offers en eer aan de goden bracht om er iets goeds voor terug te krijgen. Deze godsdienst was dus sterk op eigen voordeel en bevrediging gericht. Het is altijd weer een gevaar dat je God wilt dienen om er zelf beter van te worden. Je bent dan bijvoorbeeld gericht op bevestiging, troost of bemoediging, maar niet op Gods hart en op Zijn daden. Godsvrucht als ontzag of eerbied is echter op Hem gericht en ademt de sfeer van dankbare liefde en toewijding.

Hart

In het vorige artikel stelden we de vraag waarom het woord ‘godsvrucht’ vooral in de pastorale brieven voorkomt. Het antwoord luidde dat het gebruik van deze term heel goed kan samenhangen met de nadruk op het christenleven in deze Schriftgedeelten. De gedachte is dat eerbied voor God leidt tot een leven van dagelijkse toewijding, want de Heere is het waard om te worden gediend.

In de passages over godsvrucht in de eerste Timotheüsbrief komt zowel de binnenkant als de buitenkant van het christenleven aan de orde. De brief noemt direct aan het begin al de binnenkant, als Paulus wijst op het doel van het apostolisch onderwijs: ‘liefde die voortkomt uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof’ (1:5). Tegenover de dwaalleraars die zich met allerlei bijzaken bezighouden en nutteloze discussies teweegbrengen, moet Timotheüs zich richten op de kern van de zaak: op geloof en liefde, die alleen kunnen groeien en bloeien in een rein hart.

Verderop in de brief wekt Paulus zijn geestelijke zoon op tot oefening in de godsvrucht. Concreet betekent dit een voorbeeldig leven ‘in woord, in wandel, in liefde, in geest, in geloof en in reinheid’ (4:12), terwijl ook termen als ‘overdenking’ (4:15) en ‘tevredenheid’ (6:6) een rol spelen. Godsvrucht heeft dus allereerst een binnenkant, waarin ontzag en eerbied samengaan met geloof en liefde. Alleen op deze manier kan het christenleven op de goede manier zichtbaar worden. Anders komt het niet verder dan beschaafdheid, zoals in het heidendom van die dagen. Er is dan geen levende verbondenheid met Christus en daarom ontbreekt ook de dankbare verwondering.

Praktijk

Toch valt op dat de praktijk van het geloofsleven en van het gemeenteleven zo sterk naar voren komt in de pastorale brieven. De reden hiervan kan heel goed zijn dat we met deze late brieven van het Nieuwe Testament in een volgende fase zijn aangekomen. Daarin vroeg de opbouw van het geloof en de gemeente grotere aandacht. Kwam deze nadruk op de praktijk van het christenzijn door de verleidingen van de heidense samenleving of door het gevaar van uitholling van de gemeente? In elk geval lezen we in de eerste Timotheüsbrief over de vrouw en haar plaats in de gemeente (2:9-15), over de vereisten voor ambtsdragers (3:1-13), over de omgang tussen de generaties, over de zorg voor de weduwen en de goede houding tegenover de ouderlingen, maar ook over het goede gebruik van geld en goed, evenals over de roeping van de rijken (5:1-20; 6:17-19).

Voorbeelden

De nauwe verbinding tussen godsvrucht en de praktijk komt allereerst aan de orde in verband met de plaats van mannen en vrouwen. Terwijl Timotheüs mannen moet opwekken om elke vorm van ruzie en onenigheid op te ruimen, dient hij vrouwen te wijzen op de geestelijke houding van onderdanigheid (2:8,11), waarschijnlijk omdat sommige vrouwen te sterk op de voorgrond traden. In het apostolische onderwijs krijgen we het beeld te zien van vrouwen die zich laten leren, een leven van goede werken leiden en een centrale plaats innemen in hun gezin (2:9-15). Dit alles als praktische uitwerking van een levensstijl die past bij de belijdenis van godsvreze (2:10). De apostolische opwekking is dermate concreet dat ook zaken als kledingkeuze en haardracht worden genoemd, kennelijk in reactie op de gevaren van pronkzucht en overdreven aandacht voor het uiterlijk. Godsvrucht betekent echter niet dat vrouwen opvallen door hun haardracht of kleding, maar door goede werken (2:9-10).

In de omgang tussen de generaties zijn liefde en verdraagzaamheid onmisbaar, terwijl de aandacht voor weduwen ook een belangrijke plaats krijgt. Hier komt de godsvrucht eveneens ter sprake. De apostel stelt namelijk dat kinderen de eerste verantwoordelijkheid dragen in de zorg voor hun ouders. Godsvrucht begint dus thuis en komt tot uiting in de liefdevolle zorg voor het voorgeslacht (5:4). Zodoende treffen we verschillende concrete voorbeelden van een op God gericht leven aan.

Tevredenheid

In de eerste Timotheüsbrief is een nadrukkelijke verbinding aanwezig tussen godsvrucht en tevredenheid. Paulus waarschuwde voor de ernstige gevolgen van de dwaalleer voor de levenspraktijk, want leer en leven gaan altijd samen. Blijkbaar waren de dwaallichten erg gevoelig voor de verleiding van geld en rijkdom. Uit deze geldzucht kwamen weer andere zonden op, zoals jaloezie, ruzie en laster (6:3-5, 9-10). Daartegenover brengt de goede leer volgens de apostel juist godsvrucht.

Concreet plaatst hij tegenover de geldzucht een leven van tevredenheid (6:6). Indringend zijn de woorden dat wij mensen uiteindelijk niets vast kunnen houden. Terwijl we bij onze geboorte niets meebrengen in de wereld, houden we bij ons levenseinde evenmin iets over. Juist het Evangelie van Christus leert ons echter dat we tevreden dienen te zijn met de basisbehoeften van voedsel en kleding (6:7-8). Daarin klinkt immers de belofte dat Gods genade voor de gelovigen ruim voldoende is, want God zorgt als een vader voor de Zijnen. Daarom loopt het apostolische woord aan Timotheüs uit op het appèl om geldzucht en alle daaruit opkomende zonden te ontvluchten. Tegelijk worden de rijken aangespoord om niet hoogmoedig te zijn en evenmin te vertrouwen op hun geld, maar te hopen op God. Dan zullen ze rijk zijn in goede werken en delen van hun overvloed.

Verborgen

We leren met name twee dingen als we de klemtoon leggen op ‘vrucht’ in het woord godsvrucht. In de eerste plaats wijst ‘vrucht’ erop dat een leven van eerbied voor God geen verdienste of tegenprestatie is, maar opkomt uit Gods genade. Ze is verbonden met de kennis van God, met verwondering, liefde en dankbaarheid. Daarom kent godsvrucht de binnenkant van de verborgen omgang met de Heere. Als dit ontbreekt, komen we niet verder dan een leven met een aantal christelijke normen en waarden. Het Evangelie schenkt echter allereerst vergeving van de zonden, rechtvaardiging en gemeenschap met God. Dit is het geheim van het christenleven in de praktijk.

Concreet

In de tweede plaats leidt godsvrucht tot een praktisch christendom, tot het streven om de Heere op alle levensterreinen te dienen: in huwelijk, gezin, familie, gemeente en maatschappij. Dit concrete leven voor Gods aangezicht raakt zaken als de positie van man en vrouw, de zorg voor familieleden, de kledingkeuze en de omgang met geld en goed. Ook in de kerkgeschiedenis is aandacht gevraagd voor de heiliging van alle levensterreinen. Daarbij kunnen we denken aan de middeleeuwse beweging van de Moderne Devotie, die in de Rooms-Katholieke Kerk aandacht vroeg voor het praktische christenleven. Na de Reformatie streefden gereformeerde stromingen als het puritanisme en de Nadere Reformatie naar gehoorzaamheid aan de Heere op alle levensterreinen. En waarschuwde in de vorige eeuw Dietrich Bonhoeffer niet tegen ‘goedkope genade’, waarmee hij geloof bedoelde dat geen ernst maakt met gehoorzaamheid aan God en een leven van dagelijkse toewijding?

Neem een jaarabonnement (€ 49,00). Als welkomstgeschenk ontvangt u De Waarheidsvriend twee maanden gratis. Of maak gebruik van onze actie en lees De Waarheidsvriend vier maanden voor € 10,-!

Dr. R.W. de Koeijer
Dr. R.W. de Koeijer

is predikant van de hervormde gemeente te Waddinxveen en lid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond.