In de tweede vraag die gesteld wordt bij de openbare geloofsbelijdenis gaat het over je ‘roeping’. Blijkbaar is dat woord niet alleen van toepassing op bijzondere taken in Gods Koninkrijk, zoals in de zending of in het ambt. Integendeel, élke christelijke belijder is geroepen én heeft beloofd die roeping te aanvaarden.
Heerlijk als de woorden uit 1 Thessalonicenzen 5:24 mogen klinken in of rondom een belijdenisdienst: “Hij Die u roept, is getrouw: Hij zal het ook doen.” Misschien preekt je dominee erover. Of je tante schrijft het op de kaart die je van haar krijgt. Je wordt herinnerd aan en bemoedigd met de zekerheid dat het niet gaat om je eigen prestaties en dat volharding niet afhangt van jou, maar dat God het is Die Zijn werk in je leven voltooit. Ontspanning mag dat betekenen. Blijdschap geeft het. Hij zal het doen. Ondertussen gaat het wel over de God Die roept. Persoonlijker nog: “Hij Die ú roept”! Wie belijdenis doet, aanvaardt Gods roeping in dankbare gehoorzaamheid. Vanuit de vragen die gesteld worden bij de openbare geloofsbelijdenis (zie kader), onderscheid ik in het vervolg van dit artikel zeven aspecten van die roeping.
1. Strijden
Een eerste aspect sluit aan bij de woorden die de eeuwen door klinken wanneer iemand zich belijdend voegt bij Gods gemeente: ‘Welkom in de strijd!’ Je wordt bij je openbare geloofsbelijdenis immers gevraagd de roeping te aanvaarden om ‘door Gods genade tegen de zonde en de duivel te strijden’. De duivel zit niet stil. Hij gaat rond als “een brullende leeuw” (1 Petr. 5:8) en ook als “een engel van het licht” (2 Kor. 11:14). Hij vindt aansluiting bij de zonde die in je woont, ook als je de Heere Jezus hebt lief gekregen. Wie de roeping om te strijden niet aanvaardt, is een gemakkelijke prooi. Het gaat niet om een strijden in eigen kracht, integendeel. De oproep van de opgestane Christus aan Zijn strijdende gelovigen is om sterk te worden “in de Heere” en “in de genade die in Christus Jezus is”. Wanneer het in de Efezebrief gaat over de wapenrusting van God (6:10-18), is de christen niet geroepen meters te maken, maar wel om stand te houden; om vast te staan in dat wat in en door de Heere Jezus Christus verdiend en geschonken is. Wie zien mag dat de overwinning behaald is door een Ander, mag weten “in het strijdperk van dit leven” door Christus’ doorboorde én biddende handen te zijn gedekt.
2. Je Heiland volgen
Meteen gekoppeld aan de opwekking tot strijd klinkt de roeping “uw Heiland te volgen in leven en sterven”. Mooi en bemoedigend dat het gaat over ‘uw Heiland’. Het gaat over Hem Die Zich voor jou in de dood gegeven heeft, maar ook voor jou dóór de dood heen is gegaan. Hij is het Die de strijd vóór jou gevoerd heeft, maar Die het jou ook heeft vóórgedaan. Biddend en gelovend, vasthoudend aan het geschreven Woord van God, is Hij de weg van kribbe naar kruis gegaan. Je wordt geroepen, niet zozeer om Hem na te doen, maar wel om Hem na te volgen. Niet voor even, maar voor je léven; en zelfs als het sterven wordt. Dat betekent dat je door het geloof aan Hem verbonden blijft, veel in Zijn nabijheid verkeert en vooral Hem in het oog houdt: “het oog gericht op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof” (Hebr. 12:2). Zo kom je werkelijk Thuis.
"*" geeft vereiste velden aan