Waar bent u naar op zoek?

Gereformeerde gevoeligheid heeft iets te bieden

De betoverende macht van schoonheid

Dr. Jan Martijn Abrahamse
Door: Dr. Jan Martijn Abrahamse
24-02-2026

Toen Nederland begin dit jaar veranderde in een winterlandschap, werden er uit verrukking en verwondering via social media talloze winterfoto’s gedeeld. Mijn familie maakte direct verwijzingen naar het land Narnia uit de verhalen van C.S. Lewis. Alsof de wereld, zo hoorde ik mijn vrouw zeggen, een sprookjeswereld was geworden. Schoonheid doet iets met ons. Hoe komt dat?

Natuurlijk hangt schoonheid soms af van onze smaak, maar er zijn ook ervaringen die onze persoonlijke voorkeur overstijgen. We merken dan dat er iets met ons gebeurt: we raken verwonderd, verheugd. En we merken dat het iets tussen ons doet: we delen vreugde.

Calvijns huiver
Het bewustzijn dat schoonheid iets met ons doet, vinden we ook bij Calvijn. Hij herkent de verwondering over de schoonheid van de schepping en hoe die leidt tot verwondering over de Maker. Tegelijk klinkt er huiver bij hem door: schoonheid kan onze ogen betoveren. Bij Augustinus, een van de meest bepalende stemmen in Calvijns denken, komt diezelfde voorzichtigheid terug. Blijkbaar vraagt de ervaring van schoonheid ook om enige voorzichtigheid, juist omdat het wat met ons doet.

Wat is dat toch in de gereformeerde theologie, en wat heeft het ons te zeggen in een tijd waarin opnieuw een verlangen opkomt naar een betekenisvolle, bijna magische wereld? Een tijd waarin vooral jonge mensen hunkeren naar een houvast dat bezielt en groter is dan de chaos, naar een bezielend verhaal dat hen meevoert en onderdeel maakt van iets groters.

In het academisch gesprek is het begrip enchantment of re-enchantment in zwang: een herbetovering van een wereld die is uitgehold door consumentisme en maakbaarheid. Ik herken het gemis dat in dit verlangen verscholen ligt, en tegelijk merk ik dat de gereformeerde gevoeligheid hier iets te bieden heeft.

Gevaarlijke schoonheid
Er gaat blijkbaar een macht uit van schoonheid. Ze doet iets met ons, aan ons, tussen ons, en brengt nieuwe verbindingen tot stand. En dat is niet alleen positief. Om terug te komen op het voorbeeld van sneeuw: dezelfde natuurpracht die ons ontroert, brengt ons ook in gevaar of belemmert ons. Voor jonge mensen is dat vaak geen probleem, maar veel ouderen vinden winterweer (terecht) eng; de gladheid maakt dat ze bang zijn om te vallen. Schoonheid heeft dus potentieel een gevaarlijke kant.

In de Bijbel wordt schoonheid door ambivalentie omgeven. Ze wordt bejubeld en omarmd: de schoonheid van de schepping, van het landschap, de dieren, de samenhang van ecosystemen, of van menselijke kunstzinnigheid en scheppingskracht in muziek en beeldende kunst. De schoonheid van een stad als Jeruzalem, van gebouwen als de tempel van Salomo of zijn paleis. En ook van mensen: mannen en vrouwen worden veelvuldig geroemd om hun schoonheid, als kostbare gave en eerbetoon. Denk aan Esther, die via haar esthetische aantrekkingskracht op koning Xerxes een genocide weet te voorkomen. Het Hooglied bezingt de esthetische aantrekkingskracht in wederkerigheid als iets geweldigs. Of de muziek van David, die een rustgevende uitwerking had op Saul en zijn kwade genius wist te bedwingen.

In de ban van schoonheid
En toch. Net zoals de betoverende sneeuw, kent schoonheid ook een destructieve kant: ze kan in de ban brengen, verleiden – dat wil zeggen: onze getrainde afkeer van kwade praktijken doorbreken. Denk aan de grandeur van steden als Babylon, Athene en Rome, die de menselijke hoogmoed bespelen en waanzin voeden, betoverd door het idee van onoverwinnelijkheid. De muziek die Nebukadnezar gebruikt om de menigten te bedwelmen en te doen buigen voor een beeld. Of denk aan Jozef, die vanwege zijn uiterlijk verstrikt raakt in misbruik en leugen en moet vluchten. Denk aan de talloze vrouwen die vanwege hun schoonheid voorwerp worden van mannelijke bezittingsdrift. Maar ook andersom: Delila die Simson verleidt om zijn geheim prijs te geven, of de dochter van Herodias die danst voor Herodes en hem zo bespeelt dat het Johannes de Doper de kop kost. Een scherp voorbeeld van deze ambivalentie vinden we in Openbaring, waar esthetische taal zowel wordt gebruikt om duivelse krachten te beschrijven als om de schoonheid van Christus en het nieuwe Jeruzalem te verwoorden.

Schoonheid is niet slechts projectie, alsof wij iets ‘mooi’ verklaren en het daarmee mooi ís. Alsof schoonheid alleen bestaat in the eye of the beholder. Geenszins. Schoonheid is een realiteit buiten ons. Ze is een actor die een bepaalde uitwerking op ons heeft, om met filosoof Bruno Latour te spreken. Een macht die kan bezielen en betoveren, die ons kan aanzetten tot verwondering, aanbidding en verbinding, maar die ons ook in haar greep kan krijgen en kan aanzetten tot handelingen die we bij volle verstand niet zouden doen.

Jesaja’s scherpte
In de gereformeerde traditie is, in lijn met Calvijn, daarom altijd sterk de betoverende kracht van schoonheid benadrukt. Soms misschien te sterk. Ook soberheid kan ons beklemmen. Maar het was niet zonder reden. Ook vandaag zien we hoe pracht en praal door machthebbers en media worden aangewend om mensen te bewerken, te verlammen of juist onverschillig te maken. Juist het boek Jesaja heeft dat scherp. In de context van een samenleving die verliefd is op zichzelf, is deze profeet zeer kritisch. En juist in dit boek vinden we die verwijzing die mij altijd wat ongemakkelijk maakt: “Gestalte of glorie had Hij niet; als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben” (Jesaja 53:2).

Bezien vanuit de macht van schoonheid wordt hier een contrast getekend. Deze persoon bedient zich niet van deze macht; zijn aantrekkingskracht ligt niet in uiterlijke betovering. Hij roept eerder minachting en verwerping op. Jesaja doet dit om Gods verlossende handelen los te koppelen van de macht van schoonheid, en te verbinden met wat menselijkerwijs zwak en machteloos is: ziekte, lijden, lelijkheid. Het is niet vreemd dat deze tekst in de christelijke traditie zo’n invloedrijke rol heeft gespeeld in de duiding van de lijdensweg van de Heere Jezus. Voor de eerste christenen, die joods waren, drong zich immers de vraag op hoe Gods verlossing kon samengaan met zo’n afschuwelijk beeld als dat van de gekruisigde Christus. Het heil moet niet verwacht worden van de macht van het schone. Waar onze ogen naartoe worden getrokken en wat ons zintuiglijk kan bekoren, is niet – in ieder geval niet per se – de bron van verlossing.

Wat onze ogen niet trekt
Een aangrijpend voorbeeld van deze lelijkheid is het schilderij van de later protestantse Hans Holbein (ca. 1497-1543), getiteld: Der tote Christus im Grab (1522). Het toont de afschuw van een dood lichaam. Daar is niets aantrekkelijks aan: een uitgemergeld en kapotgemaakt lijf. Niets wat ons tot verwondering brengt of verlangen wekt. Het is aanstootgevend en onterend, en kan ons benauwen. Alsof Holbein ons wil leren geloven door in deze ultieme zwakte en lelijkheid van de dood Gods heil te leren zien.

God verleidt ons niet met pracht en praal, maar wint ons door recht en verzoening, die komt in de gestalte van de Lijdende (Jes. 53:11). Daarom zien we niet aan wat voor ogen is. Niet omdat schoonheid geen waarde heeft, maar omdat er een diep besef leeft dat Gods heilshandelen zich juist bedient van datgene wat onze ogen niet trekt.

De gereformeerde traditie heeft met haar gevoelige voorzichtigheid iets in te brengen in een kale cultuur die snakt naar iets groters en betekenisvols en daardoor gemakkelijk in de ban raakt van wat beloftevol en aantrekkelijk lijkt. Deze voorzichtigheid, die maakt dat we niet te snel van iets onder de indruk raken, ook niet wanneer ons van allerlei kanten veel moois wordt voorgehouden, heeft, denk ik, veel te bieden aan nieuwe generaties die hunkeren en smachten naar iets wat werkelijk houvast en betekenis geeft.

Dr. Jan Martijn Abrahamse
Dr. Jan Martijn Abrahamse

is lector theologie aan de Christelijke Hogeschool Ede (CHE).