Voor gemeenteleden en kerkenraadsleden komt ‘goed bestuur’ niet meteen over als een kerkelijke aangelegenheid. Toch bepaalt de manier waarop een kerkenraad leidinggeeft in hoge mate het welzijn van de gemeente. Goed bestuur is niet alleen een kwestie van regels en procedures, maar van geloofwaardigheid, toewijding en wijsheid.
Goed bestuur is geen kwestie van regels, controle en management. Het gaat over geloofwaardig geestelijk leiderschap aan een gemeenschap die geroepen is om lichaam van Christus te zijn. Dit vraagt echter ook om bestuurlijke wijsheid vanuit de regels die de kerk stelt en over de cultuur waarbinnen de besluitvorming plaatsvindt.
Er zijn vijf kernpunten die samen richting kunnen geven aan goed bestuur in de kerk. Het is geen blauwdruk, maar het zijn uitnodigingen tot gesprek in de kerkenraad, in de gemeente en misschien ook wel in het hart van de gemeente- en kerkenraadsleden.
1. Gedeelde roeping
De kerk is geen vereniging met leden, maar een gemeenschap van geroepenen. Dat lijkt een open deur, maar het bestuurlijk besef daarvan is vaak dun. Wie bestuurt, bestuurt niet zijn eigen organisatie of bedrijf, maar dient de kerk in het besef dat Christus haar enige Heer is. In artikel IV.3 van de Kerkorde is het dienend leiderschap in de kerkelijke regels vastgelegd: “De gemeente geeft gehoor aan haar roeping door onder leiding van de kerkenraad de samenhang in haar leven en werken te bevorderen en alles te richten op de lofprijzing van de Naam des Heren en de dienst in de wereld.”
Goed bestuur begint daarom met bezinning op de vraag waartoe de gemeente geroepen is in deze tijd en op deze plek. Een helder antwoord op die vraag voorkomt bestuurlijke versnippering. Het maakt ook beleidskeuzes beter uitlegbaar.
Een kerkenraad die zich regelmatig bezint op de roeping van de gemeente, legt een fundament onder zijn besluiten. Die bezinning krijgt vorm in de kerkenraadsvergaderingen en kan verdiept worden in de vorm van een jaarlijkse bezinningsbijeenkomst of kerkenraadsdag. De vorm is minder belangrijk dan de gewoonte zelf. Bestuurlijke besluiten van de kerkenraad worden geloofwaardig als ze geworteld zijn in gebed en theologisch gesprek.
2. Transparantie
Het kerkrecht in de Protestantse Kerk in Nederland schrijft in de ordinanties 4 en 11 een beperkt aantal situaties voor waarin de kerkenraad actief de gemeenteleden betrekt in het beraad over een thema of gemeenteleden in de gelegenheid stelt om hun mening kenbaar te maken. Voor al het andere is de kerkenraad beslissingsbevoegd en hebben de gemeenteleden – anders dan in bijvoorbeeld de Remonstrantse Broederschap – geen formele bestuurlijke positie.
De leden van de gemeenschap zijn en voelen zich echter wel betrokken bij het leven en werken in de gemeente. Vanuit die betrokkenheid hebben gemeenteleden ook behoefte aan informatie vanuit de kerkenraad. Het is vanuit de optiek van ‘goed bestuur’ de bestuurlijke taak van de kerkenraad om de leden van de gemeenschap structureel te blijven informeren. Deze vorm van transparantie is geen kerkrechtelijke verplichting, maar een vorm van vertrouwen. Het betekent dat de kerkenraad niet alleen uitlegt wat hij besluit, maar ook waarom. Het is een openheid over overwegingen, twijfels en randvoorwaarden. Dit betreft uiteraard aangelegenheden die de gehele gemeenschap betreffen, zoals het gemeentebrede beleid en de financiën. Deze vorm van transparante communicatie heft de geheimhouding die in ordinantie 4 is beschreven niet op.
Transparantie in kerkelijk bestuur betekent ook dat er ruimte is voor vragen en kritiek. Dit is geen bedreiging van het kerkelijk bestuur, maar een vorm van betrokkenheid. In gemeenten waar dat lukt, groeit niet alleen het vertrouwen, maar ook de bereidheid om verantwoordelijkheid te delen. Wie zich serieus genomen voelt, haakt minder snel af.
3. Rolduidelijkheid
Goed bestuur vraagt om heldere rollen. De kerkenraad is een ‘ambtelijke vergadering’. Alle ambtsdragers (predikanten, ouderlingen, ouderling-kerkrentmeesters en diakenen) hebben zitting in de kerkenraad. Naast het ambt dat zij vervullen, hebben ambtsdragers ook andere taken, zoals penningmeester van het college van kerkrentmeesters of van de diaconie. De predikant is lid van de kerkenraad, maar bovenal leraar, herder en ook pastor van de gemeenteleden en ook van de kerkenraadsleden. De verschillende rollen en verantwoordelijkheden in de kerkenraad vragen om rolduidelijkheid.
Een praktisch hulpmiddel is het jaarlijks bespreken van een rolbeschrijving voor specifieke taken: wat wordt verwacht van de preses en de scriba van de kerkenraad of van de penningmeester van de diaconie?
Die rolduidelijkheid is ook nodig voor werkgroepen en commissies. De kerkorde heeft de verhouding tussen de kerkenraad en de colleges van kerkrentmeesters en diakenen al vrij uitputtend beschreven in ordinantie 11. In de instructie van de commissies en werkgroepen zou in ieder geval duidelijk moeten zijn wat de taak of opdracht is en welke besluiten horen bij de kerkenraad, en welke een college zelfstandig mag nemen.
De duidelijkheid in rollen en taken voorkomt niet alleen misverstanden, maar versterkt ook het vertrouwen tussen ambtsdragers en tussen de kerkenraad en commissies en werkgroepen. Bovendien sluit het aan bij de kerkorde, die niet bedoeld is als rem, maar als ordening van verantwoordelijkheid.
4. Toerusting
De inhoudelijkheid van leden van de kerkenraad bepaalt in hoge mate de kwaliteit van het kerkelijk bestuur en de vitaliteit van de gemeente. Dat staat soms op gespannen voet met de verkiezing van kerkenraadsleden vanuit het midden van de gemeente. Het gebeurt ook dat ambtsdragers starten zonder een inhoudelijke inwerkperiode.
“Je leert het werk in de kerkenraad wel kennen als je gestart bent”, zo kreeg een kerkenraadslid laatst te horen. Hier spreekt een vertrouwen uit, maar het is niet altijd zonder risico.
De complexiteit van kerkelijk bestuur is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Zowel het kerkelijk als het wereldlijk recht is aangescherpt na misstanden binnen én buiten de kerk. Denk aan de financiële regelgeving, de privacyregels en de verantwoordelijkheid voor een veilige kerk.
Toerusting van ambtsdragers en gemeenteleden die in commissies en werkgroepen werken, is daarom geen overbodige luxe. Het is een vorm van zorg voor wie verantwoordelijkheid draagt. De Protestantse Kerk in Nederland organiseert trainingen voor ambtsdragers, maar toerusting kan ook in een kerkenraadsdag, al dan niet onder begeleiding van een extern adviseur. Een goed bestuur investeert in zichzelf. Niet om macht te versterken, maar om dienstbaar te kunnen blijven aan de gemeenschap.
5. Geestelijke oefening
Tot slot leeft goed bestuur van reflectie. Reflectie of evaluatie zou een vaste gewoonte moeten zijn in de kerkenraad en in de colleges. Niet alleen na een bijzondere gebeurtenis, maar door het jaar heen. Een eenvoudige jaarlijkse evaluatie van het functioneren van de kerkenraad of van een college kan al veel opleveren. Wat ging goed? Wat vraagt meer aandacht? Hoe was de onderlinge samenwerking?
Belangrijker daarbij is de geestelijke dimensie. Waar hebben wij in ons bestuurlijk werk iets ervaren van de leiding van de Geest? En waar juist niet? Zulke vragen maken bestuur niet zwaarder, maar lichter. Ze brengen het kerkenraadswerk terug naar zijn oorsprong: de roeping om samen te dienen in verantwoordelijkheid.
Evaluatie is dan geen controle-instrument, maar een vorm van geloofsverdieping. Het helpt om als kerkenraad niet te verharden in structuren, maar te blijven luisteren naar wat de gemeente en God zelf te zeggen hebben.
Herwaardering
Goed bestuur in de kerk is niet vanzelfsprekend. Het vraagt tijd, aandacht en soms ook moed om gewoonten te bevragen. Maar het is tegelijk een vorm van geloofsgetuigenis. Kerkenraadsleden die zorgvuldig, transparant en in roeping handelen, laten iets zien van de betrouwbaarheid van de kerk zelf.
Daarmee is kerkelijk bestuur geen noodzakelijk kwaad, maar een geestelijke discipline. Een goede kerkenraad is niet alleen efficiënt of deskundig, maar ook een oefenplaats in gemeenschap, verantwoordelijkheid en vertrouwen.
En misschien ligt daar wel de kern van goed bestuur in de kerk. Het besef dat de kerk niet wordt opgebouwd door besluiten, maar door mensen die in die besluiten proberen te doen wat recht is. Voor God en voor elkaar.
De vijf genoemde kernpunten – gedeelde roeping, transparantie, rolduidelijkheid, toerusting en geestelijke oefening – vormen samen geen sluitend model, maar een kompas. Ze helpen gemeenten en kerkenraden om hun bestuurlijke praktijk te spiegelen aan hun roeping. Goed bestuur is niet het domein van bestuurskundigen of juristen, maar van gelovigen die bereid zijn samen te leren. En dat leren begint vaak met een eenvoudige vraag: hoe dienen wij Christus in wat we bestuurlijk doen?