Kerk en leiderschap

Kerkelijke gemeente
21-04-2021

Met name de tweede helft van de twintigste eeuw kenmerkte zich door een intensieve democratisering, waarin gezag en autoriteit met argusogen werden bekeken. In de eenentwintigste eeuw zien we de behoefte aan leiderschap weer meer naar voren komen – en niet alleen in de wereld van het management.

Ook in de kerk is er vraag naar leiders en naar leiderschap, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de bediscussieerde figuur van de classispredikant. Daarbij gaat het niet alleen om bestuurlijke efficiëntie.

Kerkelijk besef

Wat is eigenlijk nodig om leiding te geven in de kerk? Reeds in de apostelkring werd daarover nagedacht. Voortbordurend op de woorden van Christus, ‘één kudde, één Herder’ (Joh.10), wijst Petrus de ‘leiders’ in de kerk op Christus in Zijn herderlijke ambt (1 Petr.5). Een ‘leider’ moet dus zachtmoedig zijn, nederig van hart en bereid zijn offers te brengen. De kerkvader en bisschop van het Afrikaanse stadje Hippo, Augustinus (354-430), gaat hierop verder en waarschuwt tegen het gevaar dat een kerkleider zich losmaakt van het grote verband en de kudde als zijn schapen gaat beschouwen. ‘Als ik zou spreken van mijn schapen, dan is Christus Zijn schapen kwijt. (…) Het is ondenkbaar beste mensen, dat ik u mijn schapen noem. Dat is geen katholiek geluid. (…) Jullie zijn de schapen maar jullie behoren aan Hem die mij en jullie gekocht heeft.’ Op een andere plaats zegt hij: ’Je hebt de Herder aller herders, je hebt de herders van die Herder, en de schapen samen met de herders onder die ene Herder.’ Op grond hiervan verwijt Augustinus de afgescheiden Afrikaanse kerk (de Donatisten) dat zij zich afzijdig houdt van de katholieke kerk. In Woord en sacrament schieten ze weliswaar niet te kort, maar wel in de liefde omdat zij de eenheid verbreken en hun eigen kudde verzamelen.

Augustinus: ‘Als ik zou spreken van mijn schapen, dan is Christus Zijn schapen kwijt’

Onzes inziens heeft de Afrikaanse kerkvader hier misschien wel de belangrijkste kwalificatie van een kerkelijk leider naar voren gebracht: een leider moet vooral de eenheid van de kerk bewaren en dat vraagt dat hij besef heeft van wat de kerk is. Kerkelijk besef – daar zal het in de eenentwintigste eeuw om gaan.

Kerk of club?

Naar het gevoel van velen, ook steeds meer kerkgangers, is een kerk zoiets als een club: een groep mensen die dezelfde interesse heeft, namelijk de Bijbel, of God. Om die gemeenschappelijke interesse zoeken ze elkaar op, zetten een gebouw(tje) neer en nemen op zondagmorgen een warm geloofsbad – dat lijkt anno 2017 voor velen de kerk te zijn.

Aan deze opvatting van kerk-zijn kleven tenminste twee bezwaren. Allereerst komen in deze optiek voorgangers al snel in de rol van ‘filiaalhouders’ die hun gemeente zo snel mogelijk moeten laten groeien. De principes van de markt gaan dan ook het kerkelijk leven beheersen. Omdat er meerdere christelijke ‘clubs’ zijn, beconcurreren ze elkaar op de religieuze markt. Daarom zie je in predikantsprofielen vaak de nadruk op ‘communicatieve vaardigheden’. Want als jouw ‘filiaal’ leegloopt, moet je goed zijn in kerkelijke marketing; je moet je ‘formule’ een beetje kunnen aanpassen aan de wensen van de doelgroep in jouw filiaal. De preken in een club moeten verder niet te moeilijk zijn en vooral ‘positief’. ‘Harde redes’ zoals de profeten of Jezus die soms plachten te geven, leiden immers tot verlies van marktaandeel.

Een tweede probleem is het gebrek aan trouw. Het kan zijn dat de gemeente van iemands keuze toch niet bevalt. Misschien voelt het gemeentelid zich ondergewaardeerd, wellicht zijn er dingen die hij mist, of is er iets waar hij tegen is. Het kan ook zijn dat het gemeentelid na een paar jaar toe is aan iets nieuws. En dan gaat hij. Omdat die gemeente een zaak van zijn keuze was, is hij ook vrij om die gemeente weer te verlaten wanneer hij dat wil – hij gaat naar een andere christelijke club. Of begint er zelf een.

Planting van God

De kerk is geen club. Een club heeft ereleden (de oprichters), de kerk heeft apostelen. ‘Apostel’ betekent: iemand die gezonden is, gestuurd. Gods Zoon, onze Heere Jezus, heeft de apostelen de wereld ingestuurd met de opdracht: ‘Verkondig Mijn Evangelie, doop de mensen en leer hen te doen wat Ik jullie geboden heb.’ Door die opdracht is de kerk ook in Nederland gekomen. De kerk is dus een werk van God. Dat is ook de betekenis van ‘kerk’, namelijk ‘wat van de Heere is’.

In de eerste eeuwen noemden christenen de kerk graag de ‘planting van God’. Die beeldspraak zal mede ingegeven zijn door Psalm 80: Israël als een wijnstok in Egypte die door God wordt uitgegraven en geplant in het beloofde land. Zo, zeiden de eerste christenen, zijn wij door onze doop. God heeft ons uit deze wereld uitgegraven en in het Koninkrijk der hemelen (de kerk) geplant. Als Paulus Timotheüs waarschuwt om pas-bekeerden niet meteen een leiders positie in de gemeente te geven, noemt hij die pas-bekeerden neophutoi – nieuw geplanten (1 Tim.3:6). Dit beeld van de kerk als een planting van God is in lijn met de gelijkenis van het mosterdzaadje dat uitgroeit tot een boom waarin de vogels des hemels nestelen. De kerk is zo gezien een grote boom met overal nesten, waarin mensen beschutting vinden tegen de stormen van deze wereld en zelfs tegen het komende oordeel. ‘In die nesten,’ zegt Augustinus, ‘worden je veren gewassen voor het eeuwige leven.