Er komt een hulpmiddel voor het beroepingswerk, bleek vorige week tijdens de vergadering van de generale synode van de Protestantse Kerk in Nederland. Het middel, dat op basis van 82 stellingen uitwijst of een gemeente vanaf medio 2027 een universitair geschoolde predikant of een hbo-opgeleide predikant-pastor zou moeten beroepen, leverde wel wat discussie op.
Allereerst omdat de synodeleden vooraf geen inzage kregen in deze tool. Verder blijft nog veel onduidelijk over de status ervan. Wat het eerste betreft: in een enkele sheet lieten adviseurs een aantal van de 82 stellingen naar voren komen. Dit inkijkje in het hulpmiddel riep bij enkele synodeleden meteen de vraag op of de scores niet te veel het gesprek gaan bepalen. Wat als uit het middel blijkt dat een gemeente een universitair geschoolde predikant zou moeten beroepen, terwijl zij zich juist richt op een hbo-opgeleide predikant-pastor? Adviseur ds. G. Schormans, binnen de Protestantse Kerk in Nederland ook predikant voor het beroepingswerk, stelde: “Het hulpmiddel helpt kerkenraden te ontdekken wat hun context is en wat deze vraagt aan competenties. Het helpt om een goede profielschets op te stellen, al staat of valt dat wel met de juiste begeleiding van een consulent.”
Doelredenering voorkomen
Deze consulent – waarover later meer – wordt aangesteld door het breed moderamen van de classis en moet “doelredenering voorkomen”, oftewel: het bewandelen van geitenpaadjes tegengaan. Anders dan consulenten die tot nu toe door de kerkenraad worden benoemd, zal deze consulent een opleiding volgen voor deze taak in de kerk. De status van het hulpmiddel, dat in enkele gemeenten in een pilotfase werd getest, is voor veel synodeleden niet direct duidelijk. Het moet in elk geval “geen beslisautomaat” zijn, aldus ds. A. van der Maas, projectleider ‘Ruimte voor Woord en Geest’, maar de opmaat tot een kerkelijk en ambtelijk gesprek. “Maar het hulpmiddel is ook niet vrijblijvend”, voegde ds. Schormans er even later aan toe. “Via het hulpmiddel gaat de kerkenraad een keuze maken voor een predikant of predikant-pastor”, stelde ds. A.N. van der Wind (Kerkwijk), die het middel beoordeelde vanuit de commissie van rapport. Hij gaf vanuit deze commissie ook aan iets gemist te hebben: “Wij proberen een aantal verstandige kaders vast te stellen, maar laat er ondertussen ook het gebed en vertrouwen zijn dat God voor heel Zijn kerk dienaren roept zoals Hij wil.” Die geestelijke dimensie wil projectleider ds. Van der Maas zeker meenemen: “Het hulpmiddel is één onderdeel van het beroepingswerk; wellicht vullen we het op dit punt nog iets aan, zodat het middel geen weerstand oproept.”
Het antwoord van ds. Van der Maas stelde ds. M.J. Tekelenburg, voorzitter van de raad van advies voor het Gereformeerd Belijden (RAGB), gerust. Hij gaf aan blij te zijn met het opnemen van een notie over de geestelijke inbedding.
Gespreksinstrument
Toch bleef het schuren dat de synode voorafgaand aan de vergadering geen kennis heeft kunnen maken met het hulpmiddel. Ds. E.K. Foppen (Den Haag) vroeg zich bijvoorbeeld af wat de status van de bespreking over het hulpmiddel was. “We zien pas in de vergadering van november waar we het over hebben.” “Iets wat we niet gezien hebben bindend verklaren, staat me heel erg tegen”, vulde ds. H. van den Belt (Woudenberg) even later aan. Zo ontstond de beslissing door de synode om “het hulpmiddel en de inbedding zoals verwoord in de eindrapportage op te nemen in een in de kerkorde verankerde synodale richtlijn”. En om “vast te stellen dat het hulpmiddel een gespreksinstrument is (geen beslisautomaat), gericht op het professionele aspect van de functie, waaronder taken, rollen, verantwoordelijkheden en het vereiste denk- en werkniveau”. Zo wordt het middel de komende tijd doorontwikkeld.
‘Laat er ook het gebed en vertrouwen zijn dat God voor heel Zijn kerk dienaren roept zoals Hij wil’
Twee soorten consulenten
Over de nieuwe rol van consulent hadden synodeleden ook vragen. Deze vanuit de classis aangestelde persoon moet niet worden verward met de consulent zoals we die nu in vacaturetijd kennen, er komen dus twee soorten consulenten. “Wordt de boel niet te veel opgetuigd? En is het haalbaar en betaalbaar om zo’n bovenplaatselijke positie te creëren?” vroeg de synode zich af. Diaken J.A.A. Bas (Alblasserdam) gaf aan dat het classicale werk al onder druk staat en hij vroeg daarom of het breed moderamen niet beter een lijst consulenten kan opstellen waaruit de kerkenraad dan iemand kan kiezen. Ds. J. van Beelen, lid van het generale college voor de kerkorde (GCKO), noemde het een voordeel als het breed moderamen zelf een consulent aanwijst. “Dan is de classis meer betrokken, en het benadrukt het feit dat de consulent niet afhankelijk is van de kerkenraad. De consulent vertegenwoordigt de kerk. Dat geeft meer gewicht aan zijn positie.”
Invloed op hbo
Tijdens de vergaderdagen werden de nodige kerkordewijzigingen doorgevoerd voor de invoering van de besluiten uit het synoderapport Ruimte voor Woord en Geest . Het ging in de meeste gevallen om vaststellingen in eerste lezing, wat betekent dat de wijzigingen nu aan de plaatselijke gemeenten worden voorgelegd ‘ter consideratie’. Zo moest de kerkorde worden aangepast op het punt van de opleidingen. Tot nu toe is de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) de enige door de kerk gestichte opleiding. Deze biedt echter geen hbo-opleiding theologie aan. De Christelijke Hogeschool Ede (CHE) en Windesheim in Zwolle doen dat wel. Ds. Van den Belt stelde vast dat de PKN daar geen invloed heeft op de benoemingen. “Op de CHE en Windesheim kunnen we alleen opzicht houden op docenten die lid zijn van de kerk, zoals in de romeinse artikelen van de kerkorde is verwoord.” “Zou visitatie binnen het onderwijs de oplossing kunnen zijn, als de PThU de rol van visitator op zich neemt?” vroeg ouderling G.W. Stoffer uit Wapenveld. “Ik kan me voorstellen dat de PKN wel betrokken is bij benoemingen op de CHE en Windesheim”, vulde ouderling L. van Hoorn (Hoevelaken) vanuit eerdere ervaringen aan de CHE aan. Ds. Van Beelen beaamde wat ds. Van den Belt aangaf: opzicht kan alleen worden uitgevoerd over personen, niet over opleidingen buiten de ‘eigen’ PThU. “Voordat de PThU bestond, was de opleiding van predikanten verdeeld over verschillende instellingen. Hoe ging het toen? Laten we dat nog eens uitzoeken.”
‘Iets wat we niet gezien hebben bindend verklaren, staat me heel erg tegen’
Considereren met vragen
De veelheid aan kerkordewijzigingen brengt een hoop werk voor kerkenraden met zich mee in het considereren, stellen een aantal synodeleden vast. Vanuit het landelijk dienstencentrum worden daarom vragen toegevoegd aan de stukken die naar de kerkenraden gaan, zodat zij zich specifiek met bepaalde thema’s bezig kunnen houden en niet verdwalen in een woud van ordinanties en artikelen.
Benoemingen in moderamen en aan PThU
Er vonden tijdens de synodevergadering op 17 en 18 april verschillende benoemingen plaats. Ouderling Jessica Braakman (Den Ham) en diaken Marcel Uijl (Yerseke) werden benoemd tot lid van het moderamen. Braakman is docent en vakcoördinator van de faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en ouderling in de hervormde gemeente Den Ham. Uijl is accountant en penningmeester van de diaconie van de hervormde gemeente Rehoboth te Yerseke. Moderamenlid Leo Blees (Dorkwerd) werd herbenoemd. Hij gaat als assessor I (vicevoorzitter) diaken Bianca Groen vervangen. Andere benoemingen door de synode zijn: mr. T. Tanghe als voorzitter van het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (GCBG); A.J. Heitink RA als lid van de raad van toezicht van de Protestantse Theologische Universiteit (PThU); prof. dr. M.J. de Jong als hoogleraar Oude Testament aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU). Verder werd M.M.C. van der Wind-Baauw herbenoemd als lid van de raad van advies voor het Gereformeerd Belijden (RAGB).