Vorig jaar was ik terug in Zimbabwe, waar ik van 2011 tot 2016 als arts werkte. Toen kon ik het land zien, nu reisde ik er blind doorheen. Dat ik niet meer kon zien, heb ik enorm gemist. Maar de afhankelijkheid die daarbij hoorde, voelde onverwacht als een feestje.
Het was overduidelijk dat ik de weg niet kon vinden, maar niemand maakte daar een probleem van. Waarom zou ik dat dan wel doen? Ik werd niet apart in een hotel gezet, maar schoof gewoon aan bij mensen thuis. Langzaam ontdek ik dat hulp vragen niet alleen mij bevrijdt, maar ook de ander de kans geeft iets te betekenen. Op een vliegveld loop ik niet in mijn eentje te dwalen; ik heb juist de grootste lol met de steward die me soepel overal doorheen loodst.
Natuurlijk kan ik vertellen over de chronische pijn van blind zijn. Die is er ook. Maar wat ik nu wil zeggen, is iets anders: afhankelijk zijn is niet per definitie iets negatiefs. Waarom hechten we zo veel waarde aan alles zelf doen, op eigen benen staan en niemand nodig hebben? Een touw van twee of drie strengen is immers veel sterker dan één enkele draad.
Om hulp vragen
Vorig jaar was ik in Zimbabwe met de opdracht van de GZB om op zoek te gaan naar de vingerafdrukken van God. Ik interviewde een man die vertelde hoe God voor zijn gezin zorgde. Samen met zijn vrouw had hij gebeden: “God, wilt U ons laten zien aan wie we hulp kunnen vragen om de schoolkosten te betalen?” Niet lang daarna kwamen ze precies de juiste persoon tegen, iemand die hen inderdaad wilde helpen.
"*" geeft vereiste velden aan