De vreemdeling in ons midden

Ethische thema’s
21-04-2021

Weinig mensen in ons land kwamen nooit in aanraking met allochtonen: mensen die als asielzoeker naar Nederland kwamen en een verblijfsvergunning kregen. Ze namen hun eigen cultuur en godsdienst mee. Hoe staan we als christenen tegenover vreemdelingen? Hoe gaan we met hen om?

Rond de onafhankelijkheid van Suriname, in de jaren zeventig van de vorige eeuw, kwamen mensen van de Nederlandse Antillen of uit Suriname naar Nederland. Zij be-hoorden tot het Koninkrijk der Nederlanden en hadden alle recht om naar ons land te komen. Bij Turken en Marokkanen ligt dat anders; zij werden als gastarbeider aangetrokken, meestal voor het zware werk. De meesten van hen behoren inmiddels tot de tweede of derde generatie. Eerder kwamen veel Chinezen naar ons land, als goedkope arbeidskrachten in de scheepvaart. Zij vestigden zich later voor een groot deel in de horeca. In latere jaren kwamen daar, onder andere uit Afrika, Azië en het Mid-den-Oosten, de vele vluchtelingen bij, die door oorlogsomstandighe-den of ander grof geweld of gedre-ven door de honger gedwongen waren hun land te verlaten. We-reldwijd waren er in 2000 dertien miljoen mensen op de vlucht, een aantal dat sindsdien eerder meer dan minder is geworden.

Eén miljoen moslims

De komst van allochtonen bete-kent een grote religieuze en culturele verscheidenheid in ons land.

Afrikaanse tienden

‘Huizer Kerkblad’, januari 2000

Tot mijn grote verrassing kwam een asielzoeker, die met onze gemeente meeleeft, zijn ‘tienden’ brengen, d.w.z. 10% van zijn inkomen. Dat was men gewend in zijn geboorteland Afrika en dat wilde hij ook nu doen. Hij mag, omdat hij geen officiële status heeft, niet werken (zo zijn de regels in ons land nu eenmaal), maar hij had toch wat verdiensten gehad. Hij overhandigde mij ƒ 204,50, die we als volgt hebben verdeeld: ƒ104,50 voor de zending en ƒ100,- voor de kerk. Een beschamend voorbeeld, temeer omdat asielzoekers en allochtonen (ten onrechte) niet altijd zo’n beste naam hebben in ons land. Laat ik ook meteen vermelden dat er vanuit onze gemeente in het asielzoe-kerscentrum Crailo heel wat goede contacten met asielzoekers zijn en er ook bijvoorbeeld een bijbelkring is. God zegene dat werk en Hij zegene onze Afrikaanse vriend.

Een groot deel van hen is moslim, naar schatting één miljoen, een even groot deel, eveneens ongeveer één miljoen, is christen. Anderen zijn boeddhist of hindoe, van beiden zo’n honderddui-zend. Dat betekent dat ons land binnen een tijdsbestek van ongeveer een halve eeuw, met name in de steden, een an-der gezicht heeft gekregen. Hoe staan we daar als christenen en christelijke gemeente tegenover?

Oude Testament

Het is verbazend om te ontdekken hoe dikwijls de Bijbel spreekt over vreem-delingen, zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament. Veelzeg-gend daarbij is dat de vreemdeling het in Israël goed had. Talrijk zijn de voor-schriften om de vreemdeling goed te behandelen: ‘Wanneer een vreemdeling bij u in uw land verblijft, mag u hem niet uitbuiten. De vreemdeling die bij u verblijft, moet voor u zijn als een ingezetene onder u. U moet hem liefhebben als uzelf, want u bent vreemdeling geweest in Egypte. Ik ben de Heere, uw God’ (Lev.19:33-34). Israël had zich het lot van de vreemdeling aan te trekken zoals de Heere Zich het lot van Israël had aangetrokken. Van de twaalf vervloekin-gen bij de verbondsvernieuwing op de berg Ebal en Gerizim is er een gewijd aan de vreemdeling: ‘Vervloekt is wie het recht van de vreemdeling, de wees en de weduwe buigt’ (Deut.27:19). Veelzeggend is de volgorde ‘de vreem-deling, de wees en de weduwe’, een volgorde die we negen keer in het boek Deuteronomium tegenkomen en drie-maal bij de profeten (Jer.7:6; 22:3, Mal.3:5). De zorg voor de vreemdeling is bepaald niet minder dan de zorg voor de wees en de weduwe. De Heere neemt het gebod om voor de vreemde-ling zorg te dragen hoog op. De profe-ten spreken het volk er verschillende keren scherp op aan als het de vreem-deling verdrukte. Als Israël voor de vreemdeling zorg draagt, zal het hem goed gaan; als het dat niet doet, zal de Heere oordelen (Mal.3:5). Psalm 146 zegt: ‘De Heere bewaart de vreemdelin-gen’. In Deuteronomium 10:18 lezen we zelfs dat de Heere de vreemdeling lief-heeft door hem brood en kleding te geven.