Waar bent u naar op zoek?

De erfenis van een invloedrijk theoloog

Dr. H. Berkhof had stevige kritiek op de prediking binnen de Gereformeerde Bond

Dr. R.W. de Koeijer
Door: Dr. R.W. de Koeijer
05-08-2026

Hij wilde niet liberaal en evenmin strak orthodox zijn. Hij zocht naar een voortdurende voeling met de moderne cultuur. Prof. dr. H. Berkhof (1914-1995) was een van de leidende hervormde theologen van de vorige eeuw, die ook internationaal naam maakte. Hij was vooral een bruggenbouwer onderweg.

Recent is een fraaie, omvangrijke biografie over Berkhof verschenen. Aan Karel Blei (94!) is dit wel toevertrouwd, want hij heeft Berkhof persoonlijk meegemaakt, is bij hem gepromoveerd én door hem beïnvloed. Het is een aantrekkelijk boek geworden, dat qua opzet lijkt op zijn biografie over Karl Barth (2018). Blei loopt Berkhofs levensloop stap voor stap langs en combineert dit met een heldere samenvatting van de inhoud van diens geschriften. Zo krijg je als lezer niet alleen zicht op zijn leven, maar ook op de ontwikkeling van zijn theologie.

Berlijn
Hendrikus Berkhof werd in 1914 geboren en groeide op in een hervormd milieu. Na zijn studie theologie volgde hij in 1937 een studiejaar in Berlijn, waar hij in contact kwam met de leidende figuren van de Bekennende Kirche, die zich verzette tegen Hitler. Berkhof moest deze studie echter afbreken, omdat hij vanwege verzetsactiviteiten werd gezocht. Zijn kwaliteiten bleken toen hij al op 25-jarige leeftijd promoveerde op kerkvader Eusebius van Caesarea.

Berkhof werd in 1938 predikant in de hervormde gemeente van Lemele (Overijssel). Tijdens de oorlogsjaren zat hij een halfjaar gevangen vanwege kritiek op de Duitse overheid en was hij betrokken bij de huisvesting van Joodse onderduikers. Daarna volgde Zeist in 1944, waar hij het predikantschap combineerde met zijn docentschap aan het seminarium Kerk en Wereld in Driebergen. Na de oorlog volgde in 1950 zijn benoeming tot rector van het Hervormd Seminarie in Driebergen. Beide functies brachten hem in het hart van de Nederlandse Hervormde Kerk, in een naoorlogse fase van opbouw en vernieuwing.

Toen Berkhof in 1960 kerkelijk hoogleraar dogmatiek werd in Leiden, groeide hij uit tot een invloedrijk theoloog in Nederland en daarbuiten. Hij zette ook een stempel op de groeiende naoorlogse oecumene door zijn activiteiten binnen de Wereldraad van Kerken en als voorzitter van de landelijke Raad van Kerken. In 1981 ging hij met emeritaat, waarna hij in 1995 overleed.

Ontwikkeling
Boven Berkhofs denken kunnen we het woord ‘ontwikkeling’ plaatsen, zoals de ondertitel van de biografie aangeeft: theoloog onderweg. Hij begon als confessioneel predikant, wat niet alleen in zijn prediking tot uiting kwam, maar ook in zijn boek Geschiedenis der kerk (1941). Veelbelovend was het dat hij al op 27-jarige leeftijd een kerkhistorisch overzichtswerk presenteerde voor zowel theologen als geïnteresseerde gemeenteleden. Meestal koos hij in zijn beoordeling van kerkhistorische kwesties voor de orthodoxe positie.

Tegelijk schoof Berkhof na de oorlog gaandeweg op in een meer moderne richting. Ik denk dat hiervoor twee redenen zijn te noemen. Ten eerste wilde hij de tijd waarin hij leefde serieus nemen. Hij zag de secularisatie doorbreken, die hem voor de vraag stelde hoe de moderne mens met het Evangelie kan worden bereikt. Ten tweede kwam hij door zijn contacten binnen de Wereldraad van Kerken met andere richtingen binnen het christelijk geloof in aanraking.

Ik laat de ontwikkeling van Berkhofs denken zien aan de hand van drie punten: zijn visie op God, op de genade en op de verhouding van Evangelie en cultuur.

God en geschiedenis
Hoe was Berkhof bruggenbouwer tussen het Evangelie en de naoorlogse cultuur? Door aandacht te vragen voor de Bijbelse geschiedenis. Daarin gaat het op het eerste gezicht om een geschiedenis van mensen, van Israël en van het verbond dat God met dit volk sluit. Het gaat dus tegelijk om Gods geschiedenis, want mensen hebben Zijn stem gehoord. In de Heere Jezus Christus komt deze heilsgeschiedenis tot vervulling, maar tegelijk begint er met Zijn opstanding een nieuwe geschiedenis, die uitloopt op de toekomst van Gods Koninkrijk. Berkhof verwoordt deze visie in Christus en de machten (1952), Christus de zin der geschiedenis (1958), en in het hoogtepunt van zijn theologische werk: Christelijk geloof (1973). Via deze geloofsleer, die verschillende malen is herdrukt, heeft hij aanzienlijke invloed uitgeoefend in Nederland en daarbuiten.

Berkhof legt zo veel gewicht op de geschiedenis, omdat hij een God wil tekenen Die mensen opzoekt, genadig is en met hen optrekt. God dus als God van het verbond, als Bondgenoot. Op deze manier komt ook Christus op uit de geschiedenis als de nieuwe Mens, Die het anders heeft gedaan dan Adam.

Deze aandacht voor Gods weg in de geschiedenis is inderdaad een Bijbelse kernnotie. Tegelijk gaat Berkhofs accent op God als Bondgenoot en op Christus als de unieke mens wel ten koste van de God Die boven ons in de eeuwigheid woont en Die vanwege onze zonde tegenover ons staat. Zijn insteek gaat ook ten koste van Christus als de tweede Persoon van God Drie-enig, Die uit een maagd wordt geboren om verlossing te brengen. Jezus kan ook niet meer tegelijk God en mens in één persoon zijn.

Berkhofs benadering zet dus duidelijke wissels om in de orthodoxe geloofsleer. Na de verschijning van Christelijk geloof legde prof. dr. C. Graafland juist hierbij de vinger. Tijdens de predikantencontio van de Gereformeerde Bond aan het begin van 1976, waarbij Berkhof aanwezig was, gebeurde dit ook.

Genade
Waarom koos Berkhof voor deze positie? Alleen met het oog op de eigentijdse mens? Het heeft met zijn genadeleer te maken. Berkhof belijdt de menselijke zonde, de verlossing door Christus’ lijden en sterven, evenals de rechtvaardiging door het geloof. In zijn vroege preken in Lemele klinken deze reformatorische noties nadrukkelijk door tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog. Een sterke kant van zijn prediking is dat hij Gods genade verbindt met de tijdsomstandigheden en het dagelijkse leven van zijn hoorders. Deze combinatie is levenslang kenmerkend gebleven voor zijn prediking en heeft hem de jaren door een aandachtig gehoor gegeven.

Tegelijk blijkt Berkhof toenemende moeite te hebben met de gereformeerde verkiezingsleer. De belangrijkste reden hiervan is dat de genade op deze manier wordt beperkt tot een selecte groep, de uitverkorenen. Volgens hem zijn juist alle mensen in Christus’ verzoeningswerk betrokken, een notie die herinnert aan Karl Barth. Op deze manier wil hij een brug slaan naar de remonstranten, die de Dordtse synode (1618-1619) had weggestuurd. Bovendien ontbreekt in Berkhofs verzoeningsleer de belangrijke reformatorische notie dat Christus plaatsvervangend de straf over de zonde heeft gedragen. Gods genade is bovendien zo groot dat de hel moeilijk eeuwigdurend kan zijn. De hel is meer een plaats van loutering, een soort vagevuur. Wat zit hierachter?

Discussie met ds. G. Boer
Om hierop beter zicht te krijgen, gaan we naar het jaar 1956. Dan vindt er een discussie plaats tussen Berkhof en ds. G. Boer, de voorzitter van de Gereformeerde Bond. Helaas krijgt deze ontmoeting in de biografie nauwelijks aandacht. Het lijkt erop dat de auteur dit gesprek niet zo belangrijk vindt. Terwijl het als boekje is gepubliceerd en een illustratie vormt van Berkhof als bruggenbouwer in de Nederlandse Hervormde Kerk.

In deze discussie wordt opnieuw helder dat Berkhof het Evangelie een eigentijdse toespitsing wil geven. De vragen van de cultuur moeten in de prediking worden verwerkt. Volgens ds. Boer gaat het echter in elke tijd allereerst om de Godsvraag. We staan als zondaars voor Hem en daarom hebben we verzoening nodig. Het gaat erom dat Zijn genade via toe-eigening een persoonlijke werkelijkheid wordt. De vraag hoe je de genadige God leert kennen, moet dus ook ter sprake komen.

Crisis der middenorthodoxie
Berkhof voelt Boers benadering gedeeltelijk aan. Vijf jaar eerder had hij zelf een kritisch boekje geschreven over de prediking in zijn ‘middenorthodoxe’ kring: Crisis der middenorthodoxie (1951). Daarin had hij gesteld dat de prediking daar leed aan geestelijke bloedarmoede. Waarom? De genade van God werd zo algemeen verkondigd dat ze over de hoofden heen ging. Daarom doemden de gevaren op van automatisme en oppervlakkigheid. Het wonder dat God omziet naar mensen dreigde dan ook uit het zicht te verdwijnen.

Verder was er nauwelijks aandacht voor de vraag hoe hoorders deel krijgen aan deze genade en eruit leren leven. Maar als heil en geloof vanzelfsprekend worden, kun je op den duur de kerkdienst en de prediking ook wel missen. Berkhof stelde: niet alleen het werk van Christus is van belang, ook dat van de Heilige Geest. Hij leert je om Gods oordeel over je leven te aanvaarden en ook de vrijspraak door Christus. Zo sterf je geestelijk met Hem en sta je met Hem op.

Is Berkhof hiermee toch orthodox? Tegelijk is hij in gesprek met Boer kritisch op de prediking binnen de Gereformeerde Bond. Daarin moet je eerst je zonden leren kennen voordat je tot Christus kunt gaan. Zo blijven hoorders vaak in geestelijke onzekerheid zitten. Bovendien is de Gereformeerde Bond veel te weinig gericht op actuele vragen als: Is er wel een God? Berkhof raakt hiermee een gevoelige snaar en laat zien hoe de prediking binnen de Gereformeerde Bond destijds overkwam. Veel aandacht voor de binnenkant en het persoonlijk geloof, weinig voor eigentijdse vragen en aanvechtingen. Dat gaf stof tot nadenken en huiswerk. Boer vraagt op zijn beurt aan Berkhof of de actualiteit niet te sterk de inhoud van de prediking bepaalt.

Gods werk in mensen
Opvallend in deze discussie is echter dit: ondanks zijn nadruk op de Heilige Geest in Crisis der middenorthodoxie en ook in zijn latere geschrift De leer van de Heilige Geest (1964) heeft Berkhof geen echte aandacht voor Gods werk in mensen, voor wedergeboorte, geestelijke vernieuwing en gemeenschap met Christus. Het gaat hem veel meer om het Evangelie in de geschiedenis, in de cultuur en in de wereld. De orthodox-gereformeerde noties die ontbreken, hangen dus samen: God in de hemel boven en tegenover mensen, Christus als de eeuwige Zoon, Zijn plaatsvervangende lijden onder de straf over de zonde, de Heilige Geest als God, de gemeenschap met Christus en de eeuwige bestemming van mensen. Het verschil tussen de orthodoxe visie van Boer en het middenorthodoxe standpunt van Berkhof raakte ten diepste de Godsleer: Is er een werk van God nodig om ons te verlossen?

Zonde en genade
Waarop gaat dit verschil terug? Op een verschillende opvatting over de Bijbel en allerlei Schriftgedeelten. Je kunt ook zeggen: op een verschillende opvatting over schepping en zondeval. Berkhof geloofde niet in een ‘staat der rechtheid’ voor de zondeval. Het kwaad zat al vanaf het begin in de mens, waardoor de zondeval minder ingrijpend was. Als gevolg hiervan was een radicaal ingrijpen van God Zelf niet nodig. God spreekt met ons, roept ons en wil een weg met ons gaan, maar is niet de God Die verkiest, verlost en vernieuwt. De diepste beslissingen vallen in de Godsleer, zei ds. Boer. Je kunt ook vragen: van hoeveel gewicht is de zonde?

Evangelie en cultuur
Berkhof was eerst nogal positief over de betekenis van het Evangelie voor de naoorlogse tijd, kenmerkend voor de sfeer in de Nederlandse Hervormde Kerk. Met nieuw elan en een nieuwe kerkorde (1951) kon de kerk weer betekenis krijgen voor ons volk. Berkhof verankerde dit optimisme in de opgestane Christus, Die de wereld in handen heeft en via Zijn Geest op weg is naar het toekomstige Godsrijk. Dit optimisme werd ook gevoed door de groeiende betekenis van de Wereldraad van Kerken. Later werd Berkhof duidelijk bezorgder, want in de jaren tachtig zag hij de gevolgen van de toenemende kloof tussen de kerk en de geseculariseerde samenleving. Hij gebruikte het woord ‘Godsverduistering’ voor de geestelijke crisis. Hierdoor was het ook lastiger geworden om de doorsnee-kerkganger aan te spreken. Toch vond hij het belangrijk om biddend, hopend en moedig verder te gaan. Intussen is de kloof jaren later alleen maar groter geworden.

Bruggenbouwer
Berkhofs biografie presenteert hem als bruggenbouwer, in de Nederlandse Hervormde Kerk en de wereldkerk, maar ook naar de moderne mens. Wij staan eveneens voor de vraag hoe we deze brug kunnen slaan. Tegelijk knaagt het eigentijdse leven aan geloof en kerk-zijn, ook bij ons. Hoewel Berkhofs betrokkenheid op de eigen tijd en de actuele vragen respect afdwingt, is het een heilloze weg om centrale noties uit het christelijk geloof hiervoor op te geven of anders in te vullen. Om een licht te kunnen zijn, lijkt het me nodig dat orthodoxie nauw samengaat met onderlinge gemeenschap en bewogenheid met de naaste ‘buiten’. Er is op dit punt nog genoeg huiswerk te doen. Betekent de verrassende openheid van een nieuwe generatie ontvankelijkheid voor het Bijbels-gereformeerde geloof? In elk geval zijn we geroepen om te volharden “in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in het breken van het brood en in de gebeden” (Hand. 2:42).

Dr. R.W. de Koeijer
Dr. R.W. de Koeijer

is studiesecretaris van de Gereformeerde Bond.