
Twee decennia was Jurjen ten Brinke voorganger in Hoop voor Noord, een zendingsgemeente van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Amsterdam. Ook werkt hij ruim tien jaar bij de EO, onder meer als presentator van Nederland Zingt. Welke spiegel wil deze nieuwe columnist lezers van De Waarheidsvriend voorhouden?
Sinds vorig jaar is Jurjen ten Brinke werkzaam als ‘city church catalyst’ in Amsterdam. Dit betekent dat hij als kerkverbinder contacten legt tussen allerlei kerken en christelijke gemeenschappen in de hoofdstad, legt hij uit. “In zo’n grote stad is het nodig dat iemand actief tijd kan besteden aan het verbinden van kerken onderling. Onder Nederlandse gelovigen noem ik mezelf het oliemannetje. Ik zoek bijvoorbeeld naar huisvesting voor tientallen geloofsgemeenschappen die een plek nodig hebben en nu antikraak op diverse plekken in de stad zitten. Verder schuif ik namens de kerken aan bij de burgerlijke overheid. Dat heeft onder meer opgeleverd dat burgemeester Halsema een nieuwe notitie over de verhouding tussen kerk en staat heeft geschreven. De kracht en waarde van geloofsgemeenschappen wordt daarin nadrukkelijk benoemd.
Het is ook wel nodig om de contacten met volksvertegenwoordigers en bestuurders te onderhouden, want deze stad is echt heel seculier, progressief en liberaal. Mensen zijn er zelf god, in plaats van dat zij de Schepper erkennen als Heere. En als kerken hebben we de overheid nodig om dingen gedaan te krijgen; denk aan vergunningen, grond, en bestemmingsplannen om kerken een plek te bieden.”
Gewoon doen
Hoop voor Noord, de kerkplanting waar Ten Brinke vanaf het eerste uur bij betrokken was, kreeg ooit een opmerkelijk waardeoordeel van de Amerikaanse voorganger Tim Keller (1950-2023). Hij noemde de gemeente en een kerk in Berlijn twee voorbeelden van interculturele kerkplantingen die alle regels over kerkplanting aan hun laars lapten, en waar tóch iets moois uit ontstond. Volgens Keller wordt doorgaans één cultuur dominant ten koste van de andere culturen. Ten Brinke: “Op het gebied van inclusief kerk-zijn, contextualisatie, Christ centered preaching en het houden van je stad heb ik zo veel van Keller geleerd. Tegelijk ben ik meer een mensenmens dan een theoloog die heel goede preken en boeken schrijft, dus misschien deden wij daarom dingen anders. ‘Gewoon doen’, was ons motto. En God verbond er Zijn zegen aan.
Gaandeweg leerde ik dat ‘cultuur’ niet alleen over migranten of landen van herkomst gaat. Veel vaker is er ook diversiteit op sociaal en economisch vlak. Ik kan me soms gemakkelijker verhouden tot een theoretisch opgeleide Iraniër of Zuid-Afrikaan dan tot een praktisch opgeleide Amsterdammer.”
