De Bijbel gebruikt allerlei beelden voor de kerk: volk, kudde, bruid, tempel. Elk van die beelden zet een bepaald facet van de kerk in het licht. We beperken ons vanuit Efeze 1:15-23 nu tot één beeld: de kerk is het lichaam van Christus.
Volgens 1 Korinthe 12 en Romeinen 12 is de gemeente een lichaam dat uit verschillende leden bestaat: oog, oor, hand, voet. Ze dienen elkaar en hebben elkaar nodig. Deze verbondenheid – koinoonia – tussen de leden vloeit voort uit het feit dat elk lid zijn leven te danken heeft aan het Hoofd: Christus. Daarom kan niemand zich boven een ander verheffen.
Hoofd
In Efeze 1:15-23 valt de nadruk op het feit dat een lichaam een hoofd heeft. Niet de onderlinge verbondenheid tussen de leden staat centraal, maar de koinoonia tussen hoofd en lichaam. Dit getuigenis van het Nieuwe Testament (ook in Ef. 4:12 en Kol. 1:18, 24) is van onschatbare betekenis. Als je aan je gemeente denkt, zie je in gedachten allerlei mensen voor je, inclusief jezelf. Maar als je aan je gemeente denkt, moet je eerst en vooral bedenken dat zij een Hoofd heeft! Als je mensen als uitgangspunt neemt, kom je nooit tot een houdbare visie op de kerk. Als je vanuit Christus begint, komt er zicht op de kerk: zij is Zijn lichaam. Zij leeft uit Hem, voor Hem en tot Hem. De kerk is Gods werk, Zijn geschenk aan een verdorven wereld en aan verloren mensen.
Christus
De gemeente heeft een Hoofd: Christus. Hij is het geheim van de kerk. Als je Hem niet kent, ken je ook Zijn gemeente niet (1 Joh. 3:1). Alle leven in de gemeente vloeit voort uit de verheerlijkte Christus in de hemel. In Hem hebben wij verlossing ontvangen, de vergeving van onze zonden. De verzoening met God staat centraal, de rechtvaardiging van de goddeloze. Tot lof van Zijn genade waarmee God ons heeft begenadigd in de Geliefde. Door Hem wacht ons een erfenis die niet kan verwelken. Wij hebben de kerk niet bedacht. Dat heeft God gedaan, volgens Zijn welbehagen. De kerk is van Christus.
Ekklesia
Christus is gegeven (aangesteld) als Hoofd van de gemeente. Zijn gemeente wordt ekklesia genoemd (vs. 22): eruit geroepen. Zoals Abraham uit Ur. Uit het heidendom getrokken door de roepstem van de HEERE God. De kerk is vrucht van het levende Woord, oogst van alle verkondiging. Woordverkondiging is dan ook essentieel voor kerkzijn. De bediening van de verzoening is het kloppend hart van gemeente-zijn. Het Woord roept ons uit de duisternis van de zonde tot het wondere licht van God. Wie gehoor geeft, wordt een vreemdeling (Rom. 12:1-2).
Universeel
De gemeente leeft midden in de wereld. Ze is niet sektarisch, niet provinciaals. Ze lijkt onbeduidend, maar is verheven. Dat is te danken aan Christus. Hij is groots. Hij geeft uitvoering aan Gods wereldomvattende heilsplan. In Hem heeft God het geheimenis van Zijn wil bekendgemaakt. In Hem brengt God alles bijeen. Hij heeft met Christus de herschepping van de totale kosmos op het oog. Met allesovertreffende kracht heeft God Hem uit de doden opgewekt, en álle dingen aan Zijn voeten onderworpen. In Hem zijn wij uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld. De kerk is dan ook een bovenhistorisch fenomeen; wel midden in de wereld en in de geschiedenis, maar niet te vatten in categorieën van deze wereld.
"*" geeft vereiste velden aan