Op zondag komen we samen, om het Woord te horen, te zingen, te bidden, te vieren, te geven. Maar hoe is het doordeweeks? Hoe stempelt de eredienst van zondag ons leven op maandag? Over het belang van dagelijks liturgisch leven.
Het komt voor, wellicht meer dan ons lief is, dat er in levens van gemeenteleden nauwelijks een link bestaat tussen de zondagse kerkdienst en de rest van de week. Zondags zitten ze trouw op hun plekje in de kerk, ze lezen mee, zingen mee, bidden mee, luisteren aandachtig naar Schriftlezing en verkondiging. Maar als de ouderling op huisbezoek vraagt of er in het gezin ook hardop wordt gebeden, gezamenlijk wordt gezongen, samen gesproken wordt over wat de Bijbel te zeggen heeft, dan stokt het gesprek. “Bijbellezen proberen we te doen, maar dat lukt niet altijd. Hardop bidden? Dat zijn we van huis uit niet gewend. En samen zingen? Tja, we zijn niet zo muzikaal hè.”
Reformatie
Hoe verklaarbaar misschien, vanuit achtergronden en gebrek aan voorbeelden: dit is een praktijk die ver afstaat van het ideaal van de Reformatie. En, belangrijker: dit is een praktijk die schril afsteekt tegen wat de Schrift ons leert over een voortdurend gezamenlijk leven voor Gods aangezicht, juist ook in de verbanden van gezin en familie. Te denken valt aan wat er in Handelingen wordt gezegd over de eerste christenen, die dagelijks samenkomen voor Woord, gebed, tafel en dienst (Hand. 2:46- 47; 4:23-31). En te wijzen valt op het vermaan van Paulus in de brief aan de Efeziërs (5:19-21), om, door de Geest vervuld, voortdurend onder elkaar te spreken met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen en altijd voor alle dingen God te danken. Daarbij lijkt Paulus niet alleen aan de zondagse samenkomst te denken. Nee, het hele leven moet in dit liturgisch licht staan.
Luther en Calvijn
In de tijd van de Reformatie in de zestiende eeuw is dit een belangrijke vraag: hoe kan het hele leven een eredienst voor God worden? Met als achtergrond de late middeleeuwen, waar op veel plaatsen de dagelijkse liturgie was voorbehouden aan de kerk en de kloosters, werken mannen als Luther en Calvijn aan een praktijk waarbij de gewone man thuis het leven met de Heere vorm kan geven.
Luther geeft daartoe al in 1522 een Betbüchlein uit, als tegenhanger van middeleeuwse volkse gebedsboekjes waarin de Mariadevotie centraal stond. De reformator brengt in dit boekje de kernmomenten van het geloof samen – tien geboden, geloofsbelijdenis, Onze Vader –, aangevuld met een aantal psalmen en andere teksten. Het boekje is razend populair: bij Luthers dood in 1546 is het al 48 keer herdrukt.
Ook Calvijn hamert op een dagelijkse liturgische praktijk. Al in 1536 stelt hij in zijn Institutie dat het belangrijk is dat iedereen zijn “bijzondere uren” van gebed vaststelt. Vijf momenten noemt hij: bij het opstaan, voorafgaand aan het werk, voor en na het eten en voor de nacht. Even later biedt hij in zijn Catechismus van Genève (1545) voor precies deze vijf momenten een gebedstekst aan. Later wordt dit corpus aan gebedsteksten voor thuis uitgebreid en verschijnt er in Genève zelfs een complete handleiding voor de huisvader om de gebeden thuis vorm te geven.
Huisliturgie
Calvijn ziet een huishouden dan ook als een “kleine kerk”, waar de dienst aan God gestalte moet krijgen. Naast de Schrift, het Onze Vader, de geloofsbelijdenis en de gepubliceerde gebeden krijgen in deze huisliturgie de (berijmde) psalmen een rol. Met het oog op het dagelijks gebruik van deze liederen verschijnen er registers waarin is aangegeven op welke momenten – zoals bij ziekte, in dankbaarheid of in tijden van boete – welke psalmen toepasbaar zijn. Zo krijgt de psalmbundel als gebedenboek een plek in de dagelijkse huisliturgie.
Huisgebeden
In de Palts is eveneens aandacht voor de dagelijkse momenten van devotie. In 1563 verschijnt in Heidelberg niet alleen de Heidelbergse Catechismus, maar ook een nieuwe kerkorde én een verzameling huisgebeden voor ‘de christelijke huisvader en zijn gezin’. Dagelijks moet de vader met zijn gezin de dag beginnen door een gezamenlijk morgengebed te houden. Daarbij knielt iedereen neer en klinkt het voorgeschreven morgengebed, dat uitmondt in het Onze Vader, waarna de tien geboden klinken: de leefregel voor de dag. ’s Avonds komt het gezin weer samen, en nu klinkt het avondgebed, dat opnieuw uitmondt in het Onze Vader, waarna de geloofsbelijdenis klinkt. In de gereformeerde traditie in ons land, die sterk wordt beïnvloed door zowel Genève als de Palts, komen we dezelfde dingen tegen. Zo biedt het psalmboek van Dathenus (1566) het nodige materiaal aan gebedsteksten, waaronder gebeden rond het eten en een morgen- en avondgebed. En de vroegste kerkelijke vergaderingen hameren erop dat vaders zorg zullen dragen voor de huisgodsdienst. Ouderlingen moeten bijvoorbeeld op huisbezoek vragen “naar de gebeden die zij ’s morgens en ’s avonds voor hun huisgenoten doen” (artikelen van Wezel, 1568). En als synodes spreken over de publieke doordeweekse kerkdiensten (avondgebeden), dan spreken ze eerst uit dat die beter afgeschaft kunnen worden, omdat anders de huisgebeden die iedere vader ’s avonds met zijn gezin moet doen, daaronder lijden (Dordrecht, 1574).
Nadere reformatie In de zeventiende eeuw wordt op de nationale synode van Dordrecht (1618-1619) benadrukt dat het tot het “ambt” van alle ouders behoort om hun kinderen en het hele huishouden te wennen aan de “oefening van heilige huisgebeden”, ze mee te nemen naar de kerk en ze voor te lezen uit de Bijbel. Kortom, ouders hebben de roeping om het dagelijks leven met God thuis gestalte te geven. Om ze daarbij te helpen, laat de provinciale synode van Utrecht zelfs een complete handleiding voor de huisgodsdienst opstellen. Deze verschijnt in 1629 in Amsterdam. Auteur is de Amersfoortse predikant Arnoldus Oortcampius. In het geschrift, met de titel Dagelijcksche Oeffeninghe der Godsaligheydt , biedt Oortcampius een uitgewerkt programma van Bijbellezingen, gebeden, Psalmen en andere instructies. De hele dag, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, wordt ingekleurd, waarbij de nadruk ligt op drie centrale momenten: het morgengebed, de middagmaaltijd en het avondgebed. En ook hier knielt het hele gezin als vader het morgengebed uitspreekt. En ’s avonds knielt opnieuw de hele kring, als het avondgebed klinkt.
Het idee van het gezin als kleine kerk waar dagelijks rond de drie momenten van ochtend, lunch en avond gezamenlijke tijden van Schrift, gebed en zang zijn, wordt ook in de beweging van de nadere reformatie veelvuldig bepleit: auteurs als Ridderus, Wittewrongel, Oomius, Voetius en Theodorus à Brakel schrijven erover en bieden handreikingen voor deze praktijk.
Hoe moeten kinderen leren bidden, als ze het hun ouders nooit horen doen?
Ideaal
Het zit dus in het DNA van de gereformeerde traditie: de aandacht voor de dagelijkse praktijk van het leven voor Gods aangezicht. Waarbij er een onlosmakelijk verband is tussen de zondagse liturgie en de eredienst thuis. Wederkerig: de zondagse dienst geeft de opmaat voor de dagelijkse praktijk, en daar wordt de liturgie voortgezet en uitgewerkt en vindt de voorbereiding voor de komende zondag plaats. Het is duidelijk: dit is een hoog ideaal. En de vraag is of alle ideeën die in de zestiende en de zeventiende eeuw uitvoerbaar waren, dat nu ook zijn. Maar de kern van waar het hier om gaat, is belangrijk genoeg. En ook als vormen van toen niet meer voldoen, dan kunnen we nieuwe praktijken ontwikkelen. Laten gemeenten en kerkenraden daarom zoeken naar mogelijkheden om het thema van de huisgodsdienst bespreekbaar te maken. Maak beleid als kerkenraad. Spreek over het belang ervan in de doop- en huwelijkscatechese. Vraag ernaar op huisbezoek. Ontwikkel handreikingen en materialen waarmee gemeenteleden de momenten van Bijbellezen, gebed en zang kunnen vormgeven.
Gezinsgodsdienst
En laten ouders – het geldt uiteraard alle huishoudens – zoeken naar mogelijkheden om de praktijk van de gezinsgodsdienst gestalte te geven. Wie alleen maar een dagboek leest – hoe mooi en waardevol ook – kan zich aanwennen om dagelijks óók de Bijbel open te doen. Wie nog nooit hardop gebeden heeft, kan dat alsnog leren. Misschien gewoon beginnen met een formuliergebed (voor en na het eten) achter uit het psalmboek. Hoe moeten kinderen anders leren bidden, als ze het hun ouders nooit horen doen? En wat betreft het zingen: wie dat nog nooit deed in gezinsverband, kan daar vandaag mee beginnen. Desnoods met de begeleiding van Psalmboek.nl of Gezangboek. nl. En zorg er dan voor dat het repertoire dat je kiest, aansluit bij de liturgie van zondags. Zing de psalmen, zodat de kinderen in de kerk niet iets vreemds horen. Als de gemeente de bundel Weerklank heeft ingevoerd: schaf exemplaren aan en zorg dat je daarmee vertrouwd raakt, daar heb je in de kerk profijt van.
Lofoffer
Zo kan er een eenheid ontstaan tussen de zondag en de maandag, tussen de kerkdienst en de dagelijkse praktijk van de huisgodsdienst. Zo kunnen ze elkaar wederzijds beïnvloeden. En zo raakt ons hele leven doortrokken van de liturgie. Als een voortdurend lofoffer aan God (Hebr. 13:15).