Waar bent u naar op zoek?

Jakobus houdt christenen met bezit een spiegel voor

Mag Jezus in onze portemonnee kijken?

Ds. K.H. Bogerd
Door: Ds. K.H. Bogerd
06-10-2026

“Nu dan, rijken, huil en jammer over al de ellende die u overkomt.” Er zijn bezoeken die wij graag ontvangen. Van iemand die wij liefhebben. Een ontmoeting die ons goeddoet. Maar er zijn ook bezoeken waarbij wij stil worden. Omdat iemand niet alleen vraagt hoe het gaat, maar naar ons leven kijkt. Naar onze keuzes. Naar ons hart. Zo komt de Heere Jezus in Jakobus 5 bij ons op bezoek.

Hij komt niet alleen op huisbezoek. Hij komt ook op portemonneebezoek. Dat is een indringende gedachte. Want wij laten de Heere misschien wel toe in bepaalde delen van ons leven. Maar hoe is het met ons geld en goed? Mag Hij daar ook komen? Mag Zijn Woord ook spreken over onze portemonnee? Jakobus’ woorden zijn scherp en ontdekkend.

Toch zijn het geen woorden van een hard mens. Het is de Heere Jezus Zelf Die door de mond van Jakobus tot ons spreekt. Hij vraagt niet alleen hoeveel wij bezitten. Hij vraagt hoe wij omgaan met datgene wat Hij ons heeft toevertrouwd. Want ons bezit is niet van onszelf. Alles wat wij hebben, ontvangen wij uit Gods hand. Wij zijn geen eigenaars die uiteindelijk zelf bepalen wat er met Zijn gaven gebeurt. Wij zijn rentmeesters. De vraag is daarom niet: hoeveel bezit een mens? De diepere vraag is: wat doet een mens met de gaven die de Heere heeft gegeven?

Veelzeggend
Jakobus spreekt in dit gedeelte over rijken. Opvallend is dat hij hen hier niet aanspreekt als broeders, zoals hij dat op andere plaatsen in zijn brief wel doet. Dat is veelzeggend. Hoewel zij behoren tot de twaalf stammen in de verstrooiing, blijkt uit hun leven dat zij niet wandelen als mensen die werkelijk leven uit de genade van God. En dan komt de vraag dichtbij. Gaat het dan over u? Over jou? Of over mij? “Nu dan, rijken, huil en jammer over al de ellende die u overkomt.”

Waarom zulke ernstige woorden? Omdat God anders kijkt dan wij. De rijke ziet rijkdom. God ziet ellendigheid. De rijke ziet zekerheid. God ziet oordeel. De rijke ziet schatten. God ziet bederf.

Wie zijn deze rijken? Dat zijn niet alleen mensen met grote vermogens. Het gaat om ieder die door Gods goedheid meer ontvangen heeft dan nodig is voor het dagelijks onderhoud.

Wij bidden immers: Geef ons heden ons dagelijks brood. Alles wat daarboven komt, is ons door God toevertrouwd. Niet om op te potten. Maar om te beheren. Tot eer van Zijn Naam en tot welzijn van onze naaste. Het meerdere dat God schenkt, is nooit zonder bedoeling. De Heere geeft de één meer en de ander minder, opdat degene die meer ontvangen heeft, mag omzien naar degene die gebrek lijdt. Maar wat gebeurt er als mijn hand op de knip blijft? Als ik de nood zie en mij ervoor afsluit? Als wij wel ontvangen, maar niet uitdelen? Dan plakt God op onze rijkdom een ander etiket dan wijzelf. Daarop staat niet: verstandig, of: succesvol, maar: verrot.

Goud en zilver
Jakobus schrijft: “Uw rijkdom is vergaan en uw kleren zijn door de motten aangevreten. Uw goud en zilver is verroest.” Maar goud en zilver kunnen toch niet verroesten? Toch zegt de Heilige Geest het. Waarom? Omdat God niet alleen kijkt naar de aardse waarde van bezit, maar naar de geestelijke waarde ervan. Wat vanuit menselijk oog steeds meer waard wordt, kan vanuit Gods oog verrot zijn. Wat wij zorgvuldig bewaren, kan voor God een getuigenis tegen ons worden.

Niet het bezit zelf is zondig. Abraham was rijk. Job was rijk. Ook Jozef van Arimathea bezat veel. Maar zij mochten hun bezit ontvangen als een gave van God en het gebruiken in Zijn dienst. De vraag is daarom niet: bezitten wij veel of weinig? De vraag is: bezít ons bezit ons? Geldgierigheid is niet alleen een verkeerde omgang met geld. Het is een geestelijke zaak. Paulus noemt de geldgierigheid “de wortel van alle kwaad” (1 Tim. 6:10). Wie alles voor zichzelf verzamelt en zijn ogen sluit voor de nood van de naaste, gaat in tegen Gods gebod.

De Heere heeft ons niet geroepen om alleen voor onszelf te leven. Daarom klinkt deze oproep zo ernstig. Het gaat om bekering. Niet om het afleggen van bezit. Maar om een verandering van hart. Dat wij ons bezit niet langer zien als iets waarop wij recht hebben, maar als iets wat wij uit Gods hand ontvangen. Dat is een wonderlijke verandering. De gierigaard wordt door Gods genade een gulhartige gever.

Hoe wij geven
Misschien zegt iemand: “Maar ik geef wel!” Dat kan waar zijn. Jakobus brengt ons verder. Het gaat niet alleen om de vraag óf wij geven. Het gaat ook om de vraag hoe wij geven: “Zie, het loon van de arbeiders die uw velden gemaaid hebben, dat door u achtergehouden is, schreeuwt tot God, en de jammerklachten van hen die geoogst hebben, zijn doorgedrongen tot de oren van de Heere van de hemelse legermachten.”

Jakobus schrijft in vers 4 over mensen die hun positie en macht gebruiken om zichzelf te bevoordelen. Zij betalen wel iets, maar houden achter wat iemand werkelijk toekomt. Geld is macht. En wanneer die macht wordt gebruikt ten koste van de ander, blijft dat niet verborgen voor God. Wat u aan loon inhoudt, roept tot God. Zoals het bloed van Abel riep vanaf de aardbodem, zo roept ook het onrecht dat mensen wordt aangedaan tot de hemel. De Heere van de hemelse legermachten hoort het. Geen onrecht ontgaat Zijn oog.

Volle pond
Ook vandaag stelt Gods Woord ons een diepere vraag. Niet alleen: houd ik mij aan de regels? Maar: handel ik naar de liefde die God van mij vraagt en beloon ik de ander voldoende? Wanneer iemand voor ons werkt, zien wij die ander dan alleen als arbeidskracht? Of zien wij een mens die door God aan onze zorg wordt toevertrouwd? En belonen we hem of haar gulhartig met het volle pond? God ziet verder dan onze berekeningen. God ziet het hart.

En dat is geen gemakkelijke boodschap. Want als God het hart ziet, ziet Hij ook wat wij voor mensen verborgen houden of verborgen willen houden. Onze portemonnee openbaart ons hart. Ook als werkgever geven we het volle pond met onze inzet.

Jakobus trekt vervolgens de conclusie: “U bent u aan weelde te buiten gegaan op de aarde en hebt uw eigen lusten gevolgd. U hebt uw hart gevoed als op de dag van de slacht.” Vanuit menselijk oog bezien hebben deze mensen het goed gedaan. Zij hebben genoten van het leven. Zij hebben hun verlangens gevolgd. Genieten, genieten en nog eens genieten. Dat is de maatstaf van deze wereld.

Oordeel
Maar opnieuw klinkt het oordeel van boven: het gaat er niet om wat u voor uzelf hebt overgehad, maar wat u voor uw naaste hebt overgehad. God zegt: “U hebt uw hart gevoed als op de dag van de slacht.” En dan volgt het ontzaglijke woord: “U hebt de rechtvaardige veroordeeld en gedood.” Dat betekent niet dat een dergelijke rijke letterlijk een moordenaar is. Maar Jakobus laat zien hoe ernstig God zelfzucht en geldgierigheid beoordeelt.

De rechtvaardige verzet zich niet (vers 6). Hij neemt het oordeel niet in eigen hand. Hij laat de zaak over aan God. Dat zien wij ten diepste bij Christus Zelf. Hij was de volkomen Rechtvaardige. Hij werd onrechtvaardig behandeld. Hij werd veroordeeld en gedood. En toch heeft Hij Zich niet verzet. Hij gaf Zich over in de handen van Zijn Vader, Die rechtvaardig oordeelt.

Genade
Daarmee brengt Jakobus ons uiteindelijk bij Christus. Want wie Jakobus 5 alleen leest als een oproep om vrijgeviger te worden, heeft de diepste bedoeling nog niet verstaan. Achter deze ernstige woorden staat het Evangelie. Paulus schrijft: “Want u kent de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij omwille van u arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede rijk zou worden” (2 Kor. 8:9).

Daar ligt het geheim. Christus, Die alle rijkdom bezat, heeft Zichzelf gegeven. Hij hield niets achter. Hij gaf Zichzelf helemaal over tot redding van zondaren. Wie door de opstandingskracht van deze Christus wordt vernieuwd, krijgt ook een andere omgang met bezit. Dan wordt geven geen verlies. Dan wordt geven een vrucht van genade. Dan wordt onze portemonnee niet langer een bezit waar wij krampachtig aan vasthouden, maar een middel waarmee wij God mogen dienen.

Hand op de knip
Aan het einde blijft de vraag persoonlijk: hoe ga ik om met wat de Heere mij gegeven heeft? De Heere kent de stille gaven die niemand ziet. Hij ziet het wanneer iemand in het verborgene helpt. Hij ziet de offers die uit liefde tot Hem worden gebracht. Daarom mogen zij die als rentmeesters leven, moed vatten. De Heere vergeet geen enkele daad van liefde die uit geloof wordt gedaan. Maar wie ontdekt dat de hand op de knip blijft, terwijl God roept tot barmhartigheid, moet zich laten waarschuwen. Nu spreekt Christus door de mond van Jakobus. Nu roept Hij tot bekering. Niet om mensen armer te maken, maar om hen rijk te maken in Hem.

Misschien zijn wij geneigd opgelucht te denken: dit ging over anderen. Maar Jezus komt niet alleen bij de portemonnee van de ander op bezoek. Hij komt bij u en mij. En inderdaad: heeft Hij uw portemonnee, dan heeft Hij vast ook uw hart. Dat is alles waard.

Ds. K.H. Bogerd
Ds. K.H. Bogerd

is predikant van de hervormde gemeente in Jaarsveld.